Stichting Willibrordusorgel
https://willibrordusorgel.nl/author/fjvanittersum/page/4/?query-a9c5aa38-page=3
Geplaatst op: 19 februari 2026


Vacature titulair organist St.-Bavo kathedraal

Parochie kathedrale basiliek St.-Bavo
Aanvang: u.
Einde: u.

Het parochiebestuur van de R.K. parochie Haarlem en BOAZ heeft een vacature gepubliceerd voor een titulair organist van de kathedrale basiliek St.-Bavo. De kathedrale basiliek St.-Bavo is per januari 2026 op zoek naar een nieuwe titulair organist.

Meer informatie over deze vacature


Hina Ikawa

Hina Ikawa
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) Danse macabre
Shunsuke Abe (1996) Fragment 1 en 2 uit “Drie stukken”
Gabriël Fauré (1845 – 1924) Pelléas et Mélissande
Maurice Ravel (1875 – 1937) Pavane
Paul Dukas (1865 – 1935) L’Apprentisorcier

Organist

Hina Ikawa is winnares van de derde prijs van het Internationale César Franck Concours 2022.

Toelichting op het programma

Mijn programma is gericht op de geboortedagen van de componisten die ik zal vertolken. De meeste werken zijn transcripties, behalve het Japanse werk. Om te beginnen speel ik de Danse macabre van Camille Saint-Saëns, oorspronkelijk een symfonisch gedicht voor groot orkest. In dit stuk wordt het hoofdthema, dat in de originele versie voor orkest door de viool wordt gespeeld, vertegenwoordigd door “De Dood” die zijn instrument stemt voordat hij de dans begint.

Daarna volgen twee fragmenten (1e en 2e) van de drie stukken die zijn gecomponeerd door mijn vriend Shunsuke Abe. In deze fragmenten heeft hij de melodie van de derde symfonie van Saint-Saëns gebruikt. Hij heeft de Japanse en Franse stijl gemengd, geïmproviseerd en namen gegeven aan goden zoals de god van de zee en de godin van de maan, die vrij gelijkaardig zijn aan de Griekse goden.

In Pelléas et Mélissande van Gabriel Fauré schreef de grote organist Louis Robilliard de volgende woorden: Gabriel Fauré was na zijn afstuderen aan de Niedermeyer-school zeer actief als kerkmusicus. Hij bespeelde met name het koororgel van Saint-Sulpice en verving af en toe Charles-Marie Widor op het grote orgel. Op verzoek van Saint-Saëns werd hij benoemd tot kapelmeester in de Madeleine, waar hij later titulair organist werd. Gedurende bijna 40 jaar, vertrouwd met de klankesthetiek van Aristide Cavaillé-Coll en geïnspireerd door de poëzie van zijn klankkleuren, wijdt hij zich tijdens de diensten aan sublieme improvisaties, waarvan de getuigenissen en commentaren van onder de indruk zijnde toehoorders veelzeggend zijn: luchtige vloeiendheid… golvende lijnen… vreemd boeiende harmonieën… contrasten in nuances die door de vier klavieren worden weerkaatst in een registratie van poëtische zachtheid… Laten we hopen dat de hier getranscribeerde pagina’s bijdragen aan het herscheppen van een beetje van de klankmagie die zich ontvouwde in de rijke akoestiek van de Madeleine en waarvan elke luisteraar zich omhuld voelde.

Ravel is mijn favoriete componist, maar helaas heeft hij nooit voor orgel gecomponeerd. De pavane werd oorspronkelijk geschreven voor piano solo, maar de bekendste versie blijft die voor orkest, waarvan de zo herkenbare melodie wordt gespeeld door de solohoorn.

Het laatste stuk is L’apprenti sorcier van Paul Dukas, oorspronkelijk geschreven voor groot orkest en geïnspireerd door de gelijknamige ballade van de grote Duitse dichter Johann Wolfgang von Goethe. U zult het gemakkelijk herkennen, want het is zo vaak gespeeld dat het een klassieker is geworden.
Hina Ikawa

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Stefan Madrzak

Stefan Madrzak
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Johann Sebastian Bach (1685-1750) Toccata F-Dur, BWV 540, 1   
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
(bewerking: G. Krahforst)
Variationen G-Dur, KV 501               
Stefan Madrzak (1977) Improvisatie 1
Improvisatie 2
Maurice Duruflé (1902-1986) Suite op. 5
– Prélude
– Sicilienne
– Toccata

Organist

De in 1977 in Wesel (NRW) geboren musicus is tegenwoordig actief als organist, arrangeur en improvisator en houdt zich naast zijn taken als kathedraalorganist en cantor in de St. Patrokli Kathedraal (Soest) bezig met een breed scala aan concertactiviteiten. Na zijn studies kerkmuziek (A-examen, Aken), het artistieke rijpheidsexamen “Orgel” (Prof. Johannes Geffert, Keulen) en privéstudies op het gebied van improvisatie (Ansgar Wallenhorst, Ratingen) werd hij in 2009 benoemd tot kathedraalorganist en cantor van de St. Patrokli in Soest. Hier stelt hij zijn improvisatietalent ten dienste van de liturgie in veel verschillende vormen van aanbidding. Sinds het begin van de coronamaatregelen (maart 2020) verzorgt hij ook de dagelijkse LIVE stream-missen, die op het YouTube-kanaal van de parochie gevierd kunnen worden.

Hij is een veelgevraagd instrumentalist in zowel liturgische als concertopstellingen. Madrzak trad bijvoorbeeld op in de kathedraal van Münster in het kader van de Katholikentag 2018. In hetzelfde jaar trad hij op tijdens de radiodienst en in 2019 tijdens de televisiedienst vanuit de Sint-Patrokli Kathedraal in Soest. Concertuitnodigingen brachten hem al naar belangrijke kerkmuziekcentra in Duitsland (kathedralen in Aken, Bamberg, Limburg, Paderborn, Magdeburg e.a.) en Europa (België, Polen, Frankrijk, Spanje) evenals de VS (Californië).

Zijn muzikale veelzijdigheid komt tot uiting in vernieuwende concertprogramma’s die het orgel bij een breed publiek onder de aandacht brengen. Zo voerde hij bijvoorbeeld Olivier Messiaens “La nativite du seigneur” uit in combinatie met een live schilderperformance in de kathedraal van Soest. Op het gebied van improvisatie combineert Madrzak graag de kunst van het geïmproviseerd spelen met literatuur, bijvoorbeeld op teksten van de Engelse schrijver Oscar Wilde.

Via orgelrondleidingen en speciale kinderprogramma’s (“Peter en de Wolf”, “De Notenkraker”) laat Madrzak ook een jong publiek kennismaken met de “Koningin der Instrumenten”. Tijdens de 1e lockdown in 2020 werden 10 orgeluitlegvideo’s gemaakt, die op deze website te zien zijn.

Hij schreef eigen arrangementen voor de zeldzame combinatie van orgel en slagwerk. Zijn samenwerking met de Soester slagwerker Günter Bönner heeft al twee cd-opnames opgeleverd.

Naar aanleiding van zijn interesse in middeleeuwse muziek liet hij in 2017 een 16-noten portatief (klein, draagbaar orgel) bouwen door de Dresdense orgelbouwer Marcus Stahl, dat hij sindsdien bespeelt in liturgieën en concerten.

Ook volgde hij een opleiding op het gebied van “dispokinesis” (houding van de musicus) bij de bekende grondlegger van deze fysiologische discipline G. O. van de Klashorst in Mülheim.

Toelichting op het programma

Het concert van vandaag wordt geopend met de monumentale Toccata in F van J.S. Bach, die vermoedelijk rond 1714 werd geschreven en stilistisch een bijzondere plaats inneemt. De compositie combineert typische elementen van een toccata, een prelude, een canon en een triosonate. Met 438 maten is het tevens  het langste van zijn belangrijkste composities en geniet het grote populariteit als virtuoos werk bij concertuitvoeringen. Passend bij de esthetiek van het Willibrordusorgel zal dit werk vandaag door de uitvoerder in een geromantiseerde versie te horen zijn, waarbij de partituur met verschillende klanknuances wordt geïnterpreteerd.

De “Variaties in G majeur” van Wolfgang Amadeus Mozart uit 1786 is eigenlijk een compositie voor piano vierhandig. Organist Gereon Krahforst heeft het heel piëteitsvol bewerkt voor de “koningin der instrumenten” (een uitspraak van Mozart zelf!). Wat met vier handen kan, kan nu ook met slechts twee handen en twee voeten! De muziek ademt de charme van het Weense classicisme en past met haar vele melodievariaties uitstekend bij de verschillende klankkleuren van het orgel.

Niemand minder dan Albert Einstein zei het volgende over deze compositie: “…vol charme en klankaantrekkingskracht, een compositie met een betoverend effect.”

Klankkleur, ruimtelijke klank, belichting, geuren, gedachten en nog veel meer hebben een grote invloed op de improvisatievaardigheden van de organist. Laat u verrassen door wat er vandaag tijdens het concert in twee improvisaties gebeurt…!

Helaas heeft Maurice Duruflé ons maar weinig composities nagelaten. De uiterst zelfkritische organist, improvisator en componist creëerde echter met elk van zijn werken een stijlvormende, impressionistische klankwereld die nog steeds van grote invloed is op Franse componisten. Zijn “Suite op. 5” is Duruflé’s populairste en, met een duur van ruim 20 minuten, evenals zijn “Prélude, Adagio et Choral Varié”,  zijn langste werk. Het lijkt een perfecte, geschreven improvisatie, die melodische en ritmische vindingrijkheid combineert met een goed uitgebalanceerde muzikale vorm. Van de sombere “Prélude” tot de dansante “Sicilienne” en het bulderende “Toccata”, combineert de suite ook vele verschillende stemmingen. Op. 5 vormt daarmee een meer dan waardige afsluiting van het concert van vandaag.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein. Tot de zomer van 2025 is de hoofdingang niet toegankelijk en wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke ingang aan de Jos Cuypersstraat (tegenover nr. 30).
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Poppeia Berden – Valérie Stammet

Poppeia Berden
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

“We just really like Red, white and Blue”
Daan Manneke (1939) Bonum est Confiteri
Hendrik Andriessen (1892 – 1981) La Sainte Face
Albert de Klerk (1917 – 1998) Dic Nobis Maria
Hans Leenders (1965*) In Principio
Hendrik Andriessen (1892 – 1981) Sonata da Chiesa
Jean Lambrechts (1936*) Uit “Cathédrales”: Loange
Hans Leenders (1965*) Te Deum

Solisten

Poppeia Berden

Poppeia Berden (25-02-1996) is organiste van de Onze Lieve Vrouwebasiliek te Maastricht. Haar master kerkorgel aan het conservatorium sloot zij af in augustus 2024 waarbij zij het orgelconcert van Poulenc mocht vertolken. Zij slaagde hierbij met de hoogste lof. Poppeia volgde verschillende masterclasses, daarnaast heeft ze een grote concertpraktijk opgebouwd in binnen en buitenland. In 2018 heeft zij de 3e prijs mogen ontvangen bij de“Internationalen Orgel-Gesangswettbewerb”, te Neuss samen met haar duo partner.

Poppeia zet zich graag in voor kunsteducatie. Daarom is zij “adviseur kunst-educatie” van de orgel stichting “Pro Organo” te Maastricht, waar zij jaarlijks projecten zal ontwikkelen voor kinderen. Daarnaast is zij als orgeldocente aan de “Stedelijke Academie te Maaseik” verbonden. Ze heeft meegewerkt aan veel verschillende kindervoorstellingen en opera’s. In samenwerking met Marijk Greweldinger heeft zij samen de voorstelling “Op
reis met “Johan Sebastiaan Bach” geschreven.

Valérie Stammet

Valérie Stammet is een Luxemburgse sopraan, gevestigd in Nederland, gespecialiseerd in oratorium, lied en ensembles. Ze begon haar muzikale opleiding aan het Conservatorium van Esch-sur-Alzette in Luxemburg, waar ze diploma’s behaalde in zang, cello, piano, kamermuziek en koordirectie. Tot 2021 volgde ze zanglessen bij Mariette Kemmer, Arthur Stammet en Claudia Moulin. In 2017 werd Valérie toegelaten tot het Conservatorium van Maastricht, waar ze studeerde bij Yvonne Schiffelers. In 2024 behaalde ze haar master cum laude.

Toelichting op het programma

Daan Manneke (1939) – Bonum est Confiteri

Daan Manneke, vaak omschreven als de kapelmeester van de ruimte, staat bekend om zijn sterke verbondenheid met de liturgie en het gregoriaans. Bonum est Confiteri (“Het is goed de Heer te loven”) ademt diezelfde geestelijke sfeer: het orgel ondersteunt de lofzang met warme klankkleuren en heldere lijnen die de psalmtekst verklanken.

Hendrik Andriessen (1892–1981) – La Sainte Face

Kort na Le Chemin de la Croix (1921) koos Andriessen opnieuw een tekst van Paul Claudel, ditmaal uit diens toneelstuk La Ville (1897). Het drama schetst de tegenstelling tussen een verdorven stad – denk aan Sodom of Babylon – en het hemelse Jeruzalem. In de derde akte beschrijft vader Coeuvre aan zijn zoon Ivors het heilige gelaat van Christus, afgedrukt op de doek van Veronica. Niet het zwaard, maar het Koninkrijk van God moet de ware leidraad zijn. In deze uitvoering klinkt het werk in een intieme versie voor sopraan en orgel, waarin Andriessens lyrische en spirituele stijl volledig tot zijn recht komt.

Albert de Klerk (1917–1998) – Dic Nobis Maria

In Dic Nobis Maria (“Vertel ons, Maria”) staat de ontmoeting met de verrezen Christus centraal. Het werk begint verstild, met een bijna meditatieve zanglijn die langzaam uitmondt in een monumentaal koraal. Daar bereikt de paasboodschap haar volle glans, waarna de muziek weer terugkeert naar de stilte waarmee zij begon – als een cirkel van verstilling en uitbarstende lofzang.

Hans Leenders (1965) – In Principio

In Principio (“In den beginne”) verwijst naar de beroemde openingswoorden van het Johannesevangelie: In principio erat Verbum – “In den beginne was het Woord.” Deze proloog behoort tot de meest indringende teksten uit de christelijke traditie: het Woord dat van bij het begin bij God was en dat vlees is geworden. Leenders schreef het werk oorspronkelijk voor koor en instrumentaal ensemble; in dit programma klinkt een bewerking voor sopraan en orgel. Variaties en meditatieve passages brengen de scheppingswoorden telkens in een nieuw licht, waardoor de spanning tussen mysterie en openbaring voelbaar wordt. Het resultaat is een muziek die zowel bezinnend als expressief is, waarin oudtestamentische scheppingsklanken resoneren in een hedendaagse taal.

Hendrik Andriessen (1892–1981) – Sonata da Chiesa

De Sonata da Chiesa is een van Andriessens kernwerken voor orgel. Het stuk opent met een thema dat in verschillende variaties wordt uitgewerkt en eindigt in een feestelijke toccata. Hier toont Andriessen zich als grootmeester van het symfonische orgelspel: klassiek van vorm, lyrisch van toon en met een spirituele diepte die zijn muziek tijdloos maakt.

Jean Lambrechts (1936) – uit Cathédrales: Louange

De Belgische componist Jean Lambrechts, woonachtig in Maastricht, schreef met Cathédrales een monumentaal werk voor orgel dat in 2011 in première ging bij Marcel Verheggen. Binnen dit grootschalige geheel vormt Louange voor mezzo en orgel een verstild tegenbeeld: een intieme lofzang waarin eenvoud en devotie centraal staan – alsof men midden in een immense kathedraal plotseling een moment van gebed ervaart.

Hans Leenders (1965) – Te Deum

Het programma besluit met het jubelende Te Deum. Hier grijpt Leenders terug op de eeuwenoude hymne van de kerk en giet die in een eigentijdse muzikale taal. Ritmische energie en feestelijke klankblokken wisselen af met momenten van verstilling, zodat de lofzang zowel groots als persoonlijk kan worden ervaren. Een waardig slotakkoord voor dit programma van hedendaagse sacrale muziek.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Jan Hage

Jan Hage
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Piet-Jan van Rossum (1966) 3ème Livre d’Orgue

1. “zur Ende, Vater…”
2. “Zu deinen Gnaden…”
3. “Flügel und Kind…”
4. “Ruhe, Kleid und Schuhe”
5. “langmütig und zur Hälfte gebrochen”
6. “fast unvermeidlich…”
7. “Unsers”
8. “auch euch, ihr meine Lieben”
9. “fahrt wohl…”

Organist

Jan Hage (1964) geeft vele concerten in binnen- en buitenland en maakt radio- tv- en cd-opnames. Hij is een warm pleitbezorger en veelgevraagd interpreet van hedendaagse orgelmuziek. Als solist trad hij op met o.a. de Slagwerkgroep Den Haag, het Asko|Schönberg en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Als componist schreef hij werken voor orgel en ensembles.

In 2016 promoveerde hij aan de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam. Zijn proefschrift is getiteld ‘Muziek als missie. Een luthers geluid in een calvinistische wereld. Een studie naar Willem Mudde en de kerkmuzikale vernieuwingsbeweging.’

Als organist is Jan Hage verbonden aan de Domkerk in Utrecht waar hij het majestueuze Bätz-orgel bespeelt. Zelf zegt hij daarover: „Het is natuurlijk een topplek, met een geweldig orgel waar ik dol op ben. Ik heb er in 1991 eindexamen gedaan. Het is voor mij een van de topplekken in Nederland met internationale uitstraling, naast bijvoorbeeld de Bavo in Haarlem, de Grote Kerk in Dordrecht en de Sint-Jan in Gouda. Niet overal is men meer even kerkelijk actief. In de Domkerk wel, met iedere zondag een dienst en iedere woensdag een vesper. Het kan bijna niet beter.”

Prijzen

  • de Prémier Prix ‘à l’unanimité du jury’ na zijn studie bij André Isoir
  • Eerste prijs bij Nationaal Orgelconcours in Leiden (categorie 20ste eeuwse muziek)
  • Eerste prijs  the Swiss Organ Competition in Schaffhausen
  • Premier Concours de l’interprétation de Musique Classique in Poitier (enige editie)
  • In 2006 ontving hij de médaille d’argent van Société Académique Arts-Sciences-Lettreste Parijs vanwege zijn verdiensten voor de Franse orgelcultuur

Toelichting op het programma

“nun ruhen alle Wälder”

Orgelboek 3

Het derde orgelboek behelst een flink deel van mijn componeren, van mijn aandacht, en vooral van mijn afkomst.

Want dat is, denk ik, aan de hand: op mijn 58e komen de wortels van mijn componist-zijn bloot te liggen. Ik droom vaker van mijn jeugd, van mijn vader, geboren 1914, organist bij de Gereformeerde Bond, zijn muzikale wortels: de romantische traditie rond Jan Zwart en Feike Asma. Hoe het me als tienjarige deels ontroerde en deels benauwde. Het was muziek en een traditie die stilstond, er was niets veranderd sinds mijn oma organist bij de Gereformeerde Bond van Honselersdijk was (1920-30). Ook bij oma thuis was niets veranderd en ook niet bij haar zus Jo. Ze woonden naast elkaar in de dorpsstraat, het rook er naar oude mensen, naar stoofvlees, naar aangebrande melk, naar ‘de ramen dicht’ en stof. Bij oma stond een harmonium, bij tante Jo een staande piano en een orgeltje. Op de stapels bladmuziek lagen vreemde bundels met korte karakterstukjes; titels als ‘genoegen’, ‘warmte’, ‘vertroosting’. Ook Edvard Grieg en werkjes voor piano en harmonium. Ik was er niet graag, bij mijn oma en mijn tante. De velletjes op mijn koffie, de koekjes die ik niet vertrouwde. Ik wilde naar huis, naar mijn boeken, de televisie, ik was liever bij mijn zus, bij wie alles modern was: het zwarte leren bankstel, de keuken, de kunst aan de muur. Nu is dat alles vintage jaren 70: de glazen salontafel, het psychedelisch behang, de hippe asbakken en de overal rondslingerende pakjes Belinda menthol, de glazen Campari en Martini. Ze had Jan Wolkers in de kast. Ik smokkelde de boeken mee naar huis en las ze stiekem.

Nu, bijna 50 jaar verder de toekomst in, is iedereen overleden, ook mijn zus. Het is allemaal geschiedenis. En zoals dat gaat bij een nakomeling, ik begraaf iedereen, ruim ieders huis leeg, zowel dat van tante Jo als dat van mijn hippe zus.

En ik kijk voor me uit en bezie 2025. Weer een andere cultuur: asbakken zijn passé, een roker is een loser, het gemopper van Wolkers is uit de tijd. En de Gereformeerde traditie is een perkamenten reliek geworden, alhoewel ze nog steeds bestaat.

Ik keer terug bij mijn vader, hij heeft twee wereldoorlogen meegemaakt, mijn vader die in Delft, in de Maranathakerk, improviseerde op het schelle neo-barokorgel uit 1969. Ik ging op zaterdag mee, een rusteloze jongen, 7 jaar oud, die enerzijds luisterde naar zijn vader, maar anderzijds ook verveeld raakte, ook daar dacht: ik wil naar huis, naar mijn kamer, mijn boeken. Het kon uren duren, die improvisaties. Als thema koos vader een psalm of gezang en dan zat hij met een vol gemoed, druk bewegend op de orgelbank, zijn twijfels en angsten er uit spelen. Ik begreep dat toen niet, was een beetje gegeneerd wanneer mijn vader zo emotioneel werd. Ik zwierf door de kerk, was nieuwsgierig, zat op verschillende plekken op de kerkbanken, ging stiekem de preekstoel op om te kijken naar de enorme Statenbijbel die daar lag. Ik keek in hoeken en gaten, keek naar de kroonluchter en het mozaiek van de ruitjes, alles, besef ik nu, was in dit moderne kerkgebouw gebaseerd op de ruit-figuur. De vierkant op zijn punt rustend. De kerk zelf was gebouwd in de vorm van een ruit. Het orgel stond in de uiterste punt, de preekstoel hing in de tegenoverliggende hoek. Ook de ramen bestonden uit ruitjes in de kleuren geel, groen en paars, een pastelvariant daarvan. Ondoorzichtig glas. Ik vraag me soms af wat het met een kind doet wanneer het uren naar die gekleurde ruiten staart. Want de rest van de kerk was verbluffend kaal. Geen pleisterwerk, geen afbeeldingen. Een muur van gele bakstenen, een balkon met drie rijen banken.

Er was één verboden plek. Één hoopvol venster naar een mysterie. Een plek waarvan mijn vader zei: ‘blijf daar maar weg’. Maar natuurlijk ging ik er voorzichtig heen. Het was de ruimte achter de orgelkast. Het uiterste deel van de punt van de ruitvorm die de kerk was. Recht achter de orgelkast was er een kleine loopruimte en daarachter een kamertje. Een driehoekige ruimte. De wand was grotendeels van glas met links een deur. In de ruimte stonden een kast en een bank en verder was er nog een minieme hoek waar de twee bakstenen muren bij elkaar kwamen. Ik glipte door de deur, die niet op slot was, naar binnen. Ik trof een tweede orgel aan. Een orgelbank, pedalen, en een gesloten speeltafel die opengeschoven kon worden en twee klavieren bevatte. Het was de voorganger van het neo-barok orgel uit 1969, een elektrisch orgel met een aan–uit knop en potmetertjes boven de klavieren. Ik begreep nu ook het andere mysterie, namelijk de twee enorme luidsprekers die in de twee vrijgebleven hoeken hoog boven de bezoekers hingen. Vierkante kasten van twee bij twee geplaatst op een metalen driehoek die in de muur bevestigd zat. Ik begreep dat mijn vader aanvankelijk in die glazen driehoek zat met de deur dicht en elektronisch de dienst begeleidde. En omdat het nieuwe orgel er nog niet stond keken de dominee en hij elkaar recht aan. Bij het bouwen van het nieuwe pijporgel had men het oude orgel en de luidsprekers gewoon laten staan. En niemand gebruikte het. Ik vroeg mijn vader er naar, maar hij zei er weinig over, zei dat ik het vooral niet aan moest zetten, omdat het mogelijk zou exploderen. Misschien zaten er buizen in het orgel en doelde hij daar op.

Het tweede orgel, het orgel dat niet meer mocht klinken, werd in mijn fantasie al snel een fantoomorgel. Een griezelige plek. Tijdens de lange improvisaties van mijn vader ging ik de ruimte binnen, schoof op de orgelbank en opende de kast. Af en toe drukte ik een registerknop in. De toetsen raakte ik niet aan. Er was iets onheilspellends aan de kleine driehoekige ruimte, met glas afgezet. En zeker met op de achtergrond de emotionele variaties van mijn vader. Bij mijn weten heeft dat elektronisch orgel nooit meer geklonken.

De Maranathakerk: mijn vader vertrok er 1990 na 50 jaar pro deo gespeeld te hebben en niet veel later werd de kerk gesloten en het pijporgel gedemonteerd en verkocht. En daarna stak iemand de kerk in brand. Er bleef niets van over.

Dit onbetekenende elektronische orgel dat na 1969 niet meer klonk verbond zich in mijn verbeelding met twee andere orgels. Grote majestueuze instrumenten die in vlammen opgingen: het oude orgel van de Laurenskerk te Rotterdam, verbrand door de bombardementen van 1940 en het orgel van de basiliek van Trier dat gillend ten onder ging in de vuurzee door een ander bombardement. Over dit orgel werd geschreven dat de vuurwinden door de pijpen raasden en een huiveringwekkende klacht voortbrachten.
“als der Dachstuhl so richtig brannte, da haben die Orgel zu Spielen begonnen, von alleine.
Der Feuersturm sei durch die Pfeifen hindurch gefahren und habe ein gespenstiches Konzert entfacht” (over het Ibach-Weigle orgel (1913-1944) in de basiliek van Trier). Het idee van een brandend orgel is als een nachtmerrie voor me, iets wat écht niet kan, iets afschuwelijks.

Goed, wat betekent dit?
De herinneringen aan de vele generaties waar ik in 1970 nog net de schaduw van meemaakte, oma en tante Jo in hun 19e eeuwse huizen. De oude Gereformeerde traditie die er aan ten grondslag lag, een traditie waarin ik nog ben opgevoed, een traditie waarin ik mijn vader nog hoorde improviseren, een traditie die nog steeds geïsoleerd voortgaat in de Biblebelt.
En dát gekoppeld aan mijn ervaring met een stil spookorgel en andere gewelddadig uit de weg geruimde instrumenten. Voor altijd weg. Net als mijn familie van toen, alles weg.
En die Bonds-traditie, verdwaald en geïsoleerd, in kleine gemeenten in Nederland voortgaand, op een punt in de tijd 130 jaar geleden blijven steken.

Wat een rare wezens zijn we toch. Wat vind ik mezelf een vreemd wezen. Nog steeds verlangend, net als het kind, naar ‘nieuw’, ‘vooruit’, ‘frisse lucht’, ‘een eigen kamer’ en vér weg van alle mufheid, van alles wat stilstaat, van wat niet langer de toekomst in stroomt. Maar ook emotioneel raken wanneer ik de orgelwerken van Jan Zwart hoor en zeer melancholisch terugverlangen naar de tijden die lang voorbij zijn. En naar de mensen die me ontvallen zijn.

Het besef van volstrekte onbenulligheid bij het aanschouwen van de verzakte graven van mijn ouders en zus. De ouders opgevoed als in de 19e eeuw, de zus al bijna in de 21e eeuw, maar beiden vergeten.

Het lijkt een versleten betoog.
Misschien is het de eenzaamheid die ik voel. Dat van een manier van leven en een familie vooral nog mijn herinneringen resten.
Piet-Jan van Rossum

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Ton van Eck

Ton van Eck
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Louis Vierne (1870-1937)                               Uit Pièces en style libre
– Prélude
– Berceuse
– Divertissement
Gaston Litaize (1909-1991)   Uit 24 Préludes liturgiques
– 14. Sur un thème Breton

Uit XII Pièces pour Grand Orgue
– 8. Toccata sur le Veni Creator

Eugène Gigout (1844-1925) Uit Dix Pièces pour Grand Orgue
–  Scherzo
Augustin Barié (1883-1915) Symphonie pour Grand Orgue, op. 5
– Prélude
– Fugue
– Adagio
– Intermezzo
– Finale

Organist

Ton van Eck is titulair organist van de kathedrale basiliek St.-Bavo, Haarlem. Uitgebreidere informatie over hem is te vinden op deze website of op de website van het College van Orgel-adviseurs Nederland.

Toelichting op het programma

Drie van de vier componisten van hedenmiddag waren blind. Dat er in Frankrijk relatief veel blinden werden opgeleid tot organist is niet verwonderlijk, Louis Braille (1809-1852), de uitvinder van het naar hem genoemde blindenschrift, was zelf organist.

Louis Vierne schreef in 1913-’14  de 24 Pièces en Style libre die zowel op harmonium als op het pijporgel konden worden uitgevoerd. Technisch zijn de meeste van deze werken niet veeleisend ook niet voor de toehoorder. Er zitten enkele pareltjes tussen die verdienen om te worden uitgevoerd zoals de elegante Prélude, opgedragen aan de componiste Nadia Boulanger en de tere Berceuse (op de woorden “Do, do, l’enfant do, l’enfant dormira bien vite”), opgedragen aan zijn dochtertje Colette (1907-1961). Wel virtuoos is het Divertissement dat in een voortdurende beweging en een crescendo van begin tot eind uitmondt in een korte maar virtuoze pedaalsolo.

Naar het voorbeeld van Vierne, schreef ook Gaston Litaize een verzameling van korte orgelstukken, de 24 Préludes Liturgiques. Het Bretonse thema dat aan deze variaties ten grondslag is gebaseerd op slechts vier opeenvolgende tonen. Mede dankzij de subtiele harmonieën van Litaize en zijn registraties is dit een kleurrijk stuk. De virtuoze Toccata sur le Veni Creator uit Douze Pièces pour Grand Orgue is gecompneerd als feestelijk naspel voor het Pinksterfeest.

Soms wordt een componist geraakt door een speciale inspiratievonk. Dat moet bij Eugène Gigout het geval zijn geweest bij dit Scherzo. Misschien ligt het aan het thema, een hoornachtige fanfare met toch een licht, lyrisch trekje in het vervolg of aan het humoristische trio op afwisselende klavieren, of aan het onverwachte, coda en puntige slot? In elk geval is het een pakkend stuk waarin Gigout zijn compositorische vaardigheden heeft bewezen en ook nu nog de toehoorders een moment van ontspanning bezorgt.

De op 23 november 1883 blind geboren Augustin Barié werd opgeleid aan het Franse Nationale Blindeninstituut waar hij orgelles ontving van de eveneens blinde Adolphe Marty, die een oud-leerling van César Franck was. Daarna studeerde hij aan het Conservatoire de Paris bij Alexandre Guilmant en Louis Vierne. In 1907 behaalde hij een eerste prijs voor orgel aan dat instituut waarna hij werd benoemd tot organist van de Saint-Germain des Prés in Parijs en daarna als orgelleraar aan het Nationale Blindeninstituut. Hij was een groot improvisator. Augustin Barié overleed op 22 augustus 1915 aan een hersenbloeding en werd in beide functies opgevolgd door André Marchal die een trouw pleitbezorger van zijn composities was,

Zijn in 1911 in druk verschenen Symfonie voor orgel op. 5 schreef Barié in 1907, op 23-jarige leeeftijd. Deze  compositie gelijkt, wat betreft de vorm op de Eerste Symfonie van zijn leraar Louis Vierne aan wie het werk is opgedragen. Evenals bij Vierne’s Eerste Symfonie zijn de eerste twee delen een Prélude (I) en een Fugue (II), maar in tegenstelling tot Vierne’s Eerste Symfonie kent die van Barié een cyclische vorm. De korte, inleidende Prélude en de soepele, daaropvolgende vierstemmige Fugue, beide in bes mineur, zijn gebaseerd op hetzelfde, melancholieke thema, dat in het laatste deel (Finale) terugkeert, maar dan op martiale wijze in majeur. De Prélude is een soort sombere en ongeruste passacaglia. De Fugue vormt een mooi voorbeeld van de contrapuntische Franse orgelkunst in de school van César Franck.

Het lange Adagio (III), in des mineur, heeft een A B A’ – vorm. Het eerste deel daarvan (A) kent twee thema’s. Het begint met een breed koraal (a1) waarvan het tweede gedeelte zich ontwikkelt tot een zelfstandig thema (a2). Beide thema’s worden met rijkelijke modulaties contrapuntisch gevarieerd en begeleid door de zwevende Voix céleste van het Récit. Het relatief korte middengedeelte (B) heeft oriëntaalse trekken die worden versterkt door het gebruik van 4’-fluiten op alle manualen en het pedaal (waarvan één met de Tremulant). Daarna wisselt de klankkleur in een overgangszin dank zij de Voix humaine (eveneens met Tremulant), waarna de beide thema’s van het eerste gedeelte terugkeren (A’). Daarbij worden deze wel anders verwerkt dan in A.

Het luchtige Intermezzo (IV) in f-majeur kent een driedelige vorm die identiek is aan die van het voorafgaande deel (A B A’) en heeft een ironische en toverachtige sfeer. Ook hier kent het eerste gedeelte twee thema’s, die nu echter met elkaar contrasteren, het eerste is dansant en het tweede, dat maar kort aan bod komt (in het pedaal) is afgeleid van de kop van het koraalthema van het vorige deel. Het middengedeelte in 6/8 ‘maat (B) heeft zowel ritmisch, dankzij de syncopen in de begeleiding, als harmonisch, dankzij de chromatiek, een grillig karakter. Ook de door de componist verlangde klokjesachtige registratie van de begeleiding met fluit 8’ en de twee octasven hoger klinkende 2’ draagt hieraan bij. Na de terugkeer naar deel A’ keert dit, als sterk verkorte vorm van A terug waarna het op humoristische wijze onverwacht eindigt.

De Finale (V)  in g mineur vangt aan met het ritmische gewijzigde fugathema dat wordt gevolgd door het tweede thema van het eerste gedeelte van het Adagio (a2) dat uiteindelijk overgaat in het koraalthema van het Adagio in het pedaal. Dit wordt vergezeld van een nieuw breed zangthema in de sopraan dat begint met een dalende sext. Via allerlei modulerende doorwerkingen over het tweede thema van het Adagio (a2) en over het hoofdthema van de Finale  mondt deze passage uit in de re-expositie van de Finale. Die voert uiteindelijk naar een hymnisch, maar virtuoos omspeeld slot over het koraalthema in de bas en het zangthema in de sopraan. Nog een korte cadens en dan voert thema a2 , begeleid door  de kop van het koraalthema in de bas, in enkele maten naar de slotakkoorden.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Erik Jan Eradus

Erik-Jan Eradus
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) Toccata en fuga in d (BWV 565)
Nicolas de Grigny (1672-1703) Récit de tierce en taille
Charles-Marie Widor (1844-1937) Symphonie nr. 6 in g-mineur
Allegro
Adagio
Intermezzo
Cantabile
Finale

Organist

Erik-Jan Eradus kreeg zijn eerste muzikale vorming aan de Koorschool St.-Bavo in Haarlem. Daarnaast zijn eerste pianolessen van Adam Waasdorp. Hij studeerde orgel bij Bernard BartelinkJacques van Oortmerssen en Jean Boyer. Daarnaast volgde hij masterclasses bij o.a. Andres Cea Galan (Spaanse muziek), Andrea Marcon (Italiaanse muziek), Cor van Wageningen (Max Reger) en Hans-Ola Ericsson (Messiaen). Hij is verbonden aan de volgende plaatsen:

  • Sinds 1 januari 2018 titulair-organist van de St. Josephkerk in Haarlem, de 6e organist van de kerk sinds 1856.
  • Sinds 2013 cantor-organist in de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen kerk in Overveen
  • Sinds 2012 concert-organist van de Hofkerk in Amsterdam
  • Sinds 2011 als cantor-organist in verzorgingshuis Nieuw Delftweide in Haarlem;
  • Sinds 2002 cantor-organist in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Amsterdam;
  • Sinds 1997 cantor-organist in de Onze Lieve Vrouw Hemelvaartkerk  in Heemstede;
  • Sinds 1995 organist-dirigent van de kapel in St. Jacob-in-de-Hout te Haarlem.

Erik Jan verzorgt per jaar zo’n 450 kerkelijke vieringen als cantor-organist-dirigent. Ook verzorgt hij jaarlijks vele concerten in binnen- en buitenland.

Voor zijn verdienste voor de Franse muziek ontving Erik Jan op 14 juni 2014 een zilveren medaille van de Société Academique d’Education et d’Encouragement Arts-Sciences-Lettres in Parijs.

Meer informatie op de website van Erik Jan Eradus.

Toelichting op het programma

Dé Toccata van Bach behoeft eigenlijk geen verdere introductie. Er wordt door velen nog steeds aan getwijfelde of dit beroemdste orgelwerk ooit wel van Bach is. Maar dat doet eigenlijk niet ter zake. Het blijft niet voor niets een overtuigend stuk muziek. Het klinkt voor het eerst in 25 jaar in de concertserie in de Kathedraal!

Nicolas de Grigny werd in 1697 benoemd tot organist aan de kathedraal van Reims, Frankrijk. Hij stierf op slechts 31-jarige leeftijd en liet een weduwe, zeven kinderen en één enkele uitgegeven bundel orgelmuziek na, het Livre d’Orgue uit 1699. Het was dit boek dat Johann Sebastian Bach zo bewonderde dat hij het met de hand overschreef, en het vertegenwoordigt het hoogtepunt in de orgelmuziek van die tijd in Frankrijk.

De titel van dit deel omschrijft letterlijk de registratie: een solo in het middengebied gespeeld met een ‘terts’-registratie.

Over Widor’s improvisaties aan het orgel van de Saint Sulpice in Parijs werd door grote kunstenaars, waaronder Liszt, Saint-Saëns en Rachmaninoff met bewondering gesproken. In het improviseren van fuga’s moet hij onovertrefbaar geweest zijn. Dat heeft niemand minder dan zijn leerling Marcel Dupré herhaaldelijk betuigd.

Naast zijn tien symfonieën voor orgel schreef Widor ook drie orkestsymfonieën waarin een partij voor orgel voorkomt. Vanaf 1932 redigeerde hij voor de Parijse muziekuitgeverij Leduc een serie nieuwe orgelwerken van diverse componisten onder de verzameltitel ,,L ‘orgue moderne”. Hierin treffen we o.a. het Troisième choral van Hendrik Andriessen aan.

Widor’s zesde symfonie is naast de vijfde, met de beroemde Toccata, zijn meest gespeeld werk. Het Allegro opent met een lang energiek thema dat uitgewerkt en geparafraseerd wordt. Een afsluiting wordt gevormd door een reprise (Agitato!) van het thema. Het driedelige Adagio in B-groot schittert door de prachtige melodie en het orkestrale gebruik van het orgel. Het intermezzo bestaat ook uit drie delen. In de hoekdelen klinkt een toccata-achtig perpetuum mobile, onderbroken door een trio in canon. Wederom orkestraal klinkt het Cantabile waarin een hobo- en trompetsolo worden begeleid en onderbroken door een dwarsfluit. De spetterende Finale, in rondo-vorm, sluit de symfonie op feestelijke wijze af.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Stephan van de Wijgert – Ernst Vermeulen

Stephan van de Wijgert
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

Franz Liszt
Joseph Rheinberger Geistliche Lieder
Hugo Wolf (arr. Max Reger) Spanischer Liederbuch

Organist

Organist

Toelichting op het programma

Volgt

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein. Tot de zomer van 2025 is de hoofdingang niet toegankelijk en wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke ingang aan de Jos Cuypersstraat (tegenover nr. 30).
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Ton van Eck – Leonie Bot

Ton van Eck
Aanvang: u.
Einde: u.

Programma

viool & orgel
Tomaso Antonio Vitali (1663 – 1745) Chaconne
viool
Igor Strawinsky (1882 – 1971) Elegy
orgel
Louis Vierne (1870 – 1937) Uit: Pièces de Fantaisie
Naïades
Léon Boëllmann (1862-1897) Toccata (uit de Suite Gothique) 
viool & orgel
Marco Enrico Bossi (1866-1925) Adagio, op. 84  
Willibrordusorgel en transeptorgel (bespeeld door Naoko Shimizu)
Eugène Gigout (1844-1925) Grand Chœur dialogué
Marco Enrico Bossi (1866-1925) Uit Six Pièces pour Grand Orgue op. 70
– 2. Musette
viool & orgel
Josef Gabriel Rheinberger (1839 – 1901) Gigue, op. 150, nr. 3

Solisten

Ton van Eck is titulair organist van de kathedrale basiliek St.-Bavo, Haarlem. Uitgebreidere informatie over hem is te vinden op deze website of op de website van het College van Orgel-adviseurs Nederland.

Leonie Bot maakt sinds april 2013 deel uit van de tweede violengroep van het Koninklijk Concertgebouworkest. Zij studeerde bij Coosje Wijzenbeek aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, bij Istvan Párkányi in Amsterdam en bij Axel Strauss aan het San Francisco Conservatory of Music. In San Francisco werd ze vervolgens lid van het New Century Chamber Orchestra.

Leonie Bot remplaceerde bij onder meer het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Symfonisch Orkest van Opera Ballet Vlaanderen. Ze was medeorganisator van ‘Classical Revolution’, een maandelijkse open klassieke jamsessie naar Amerikaans voorbeeld, in Cafe Eijlders in Amsterdam. Voor Leonie Bot werd in 2015 een viool van L. Storioni verworven door de Foundation Concertgebouworkest  en in bruikleen verstrekt.

Toelichting op het programma

De “chaconne van Vitali” houdt de muziekwetenschappelijke wereld al ruim anderhalve eeuw bezig en wordt door sommigen beschouwd als een muzikale hoax.

De eerste uitgave, in 1867, van Ferdinand David is duidelijk een romantische bewerking die in 1911 in dat opzicht nog overtroffen werd door die  van de Belgische violist Leopold Charlier.

Het oudste manuscript van deze compositie werk dateert echter wel degelijk uit minstens het begin van de 18de eeuw en bevindt zich in de Sächsische Landesbibliothek in Dresden. Het is vermoedelijk een kopie van Johann Jacob Lindner of Johann Gottfried Grundig. Maar of het een compositie is van Tomaso Antonio Vitali is niet duidelijk. Ondanks deze discussie blijft het een mooi en imposant stuk.

Igor Stravinsky componeerde Elegy voor solo viool in 1944, na zijn emigratie naar de Verenigde Staten van Amerika. Het werk was een opdracht van altviolist Germain Prévost van het Pro Arte Quartet ter nagedachtenis aan de oprichter en violist van het kwartet, Alphonse Onnou, die in 1940 overleed. Hoewel Stravinsky zelf verschillende van de mensen voor wie hij herdenkingswerken moest schrijven niet kende, lijkt het erop dat Stravinsky in dit geval wel een band had met Onnou, aangezien het Pro Arte Quartet betrokken was geweest bij uitvoeringen van zijn muziek, hoewel er aanwijzingen zijn dat het werk al was geschetst voordat de opdracht van Prévost werd ontvangen.

Elégie is een ongewoon werk, dat wordt aanbevolen voor uitvoering op viool of altviool met transpositie omhoog of omlaag met een kwint, en dat moet worden uitgevoerd met gedurende het hele stuk demping door een sordine, waardoor een donkere en sombere klankwereld ontstaat. De driedelige vorm van het stuk  bestaat uit een fuga-achtig middendeel met twee in elkaar grijpende stemmen, omlijst aan het begin en het einde door een zich langzaam ontvouwende, chant-achtige en meditatieve melodie, onderbroken door adempauzes van verschillende lengte die tussen de frasen in de muziek zijn aangegeven. Interessant is dat dit stuk ook in 1945 en later nog verschillende keren werd uitgevoerd met een dans op choreografie van George Balanchine, die in zijn werk probeerde

‘de flow en geconcentreerde verscheidenheid van de muziek weer te geven door middel van de

verweven lichamen van twee dansers die op een centrale plek op het podium stonden’.

Louis Vierne schreef vier series van zes Pièces de Fantaisie in impressionistische stijl en is daarmee een evenknie voor orgel van Claude Debussy met zijn 24 Préludes voor piano.

Het in vijf episoden verdeelde Naïades verbeeldt de sierlijke dans over het water van deze waternimfen uit de Griekse mythologie). Om die sierlijkheid niet te verliezen moet dit werk ook niet te snel gespeeld worden. Doorlopend passagewerk zorgt voor de continue, wiegende beweging, en in twee tussenspelen dient het in de linkerhand als begeleiding voor een vragende melodie in de discant. Gebroken akkoorden voeren als coda naar het slot.

De jong gestorven Léon Boëllmann en Eugène Gigout waren door een familieband met elkaar verbonden. Dat kwam als volgt: in 1885 trouwde Léon Boëllmann met Louise Lefèvre, de oudste dochter van Gustave Lefèvre, sinds 1865 directeur van de Ecole Niedermeyer de door de protestant Louis Niedermeyer opgerichte katholieke kerkmuziekschool waar Boëllmann docent was. Boëllmann trad zo toe tot de familie Niedermeyer, aangezien Gustave Lefèvre getrouwd was met Eulalie, één van de twee dochters van Louis Niedermeyer. Zijn andere dochter, Mathilde, trouwde in 1869 met Eugène Gigout. Zo werd Boëllmann een aangetrouwde neef (oomzegger) van zijn orgelleraar, voor wie hij zo veel ontzag had. Deze laatste, die geen kinderen uit zijn huwelijk had, noemde hem zelfs zijn adoptiezoon. Na het jong overlijden van Boëllmann en zijn echtgenote voedden Gigout en zijn vrouw hun drie kinderen op. De jongste dochter, die zich later Marie Louise Boëllmann – Gigout noemde, werd organiste en orgeldocente, en zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet.

Boëllmanns bekendste werk is de Suite Gothique met de wervelende toccata tot slot. Vandaag wordt deze uitgevoerd als eerbetoon aan een oud-voorzitter van de Stichting Willibrordusorgel die afgelopen weken een kroonjaar bereikte en, ook na zijn aftreden, zeer veel voor de stichting heeft gedaan. Het is een van zijn favoriete orgelcopmposities.

Evenals veel van zijn collega’s schreef ook Marco Enrico Bossi een Adagio voor viool en orgel, een melodieus en gevoelig stuk, kenmerkend voor het eind van de 19de eeuw, dat echter in het verdere verloop door de orgelbegeleiding met syncopen en triolen uitstijgt boven het niveau van een ‘genrestukje’.

Hoewel het feestelijke Grand Chœur dialogué van Eugène Gigout ook op één orgel uitgevoerd kan worden, genoot bij de componist de uitvoering op twee dialogerende orgels de voorkeur.

Daar de St.-Bavokathedraal, dankzij de aanwezigheid van het transeptorgel, in het bezit is van een tweede instrument van behoorlijke omvang, kunnen we, dankzij de medewerking van Naoko Shimizu, hiervan gebruik maken voor een indrukwekkend ruimtelijk effect. De twee instrumenten wisselen elkaar vooral in het eerste gedeelte en aan het slot af, terwijl het hoofdorgel in het midden een lange solo heeft.

Ter ontspanning klinkt de Musette van Bossi, eenelegant stuk waarbij het orgel een draailier imiteert, wat te horen is aan de bijna altijd klinkende bastoon (A) waarboven zich een beweeglijke melodie ontvouwt.

Het concert wordt besloten met de Gigue uit de zes stukken voor viool en orgel van Josef Gabriel Rheinberger, een compositie waarin vooral de viool, maar ook het orgel kan glanzen.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein.
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024

Ton van Eck – Saxofoonensemble Vento do Norte o.l.v. Henk van Twillert

Vento do Norte
Aanvang: u.
Einde: u.
Henk van Twillert, Vento do Norte en Ton van Eck

Programma

Saxofoons en orgel
George Frederic Handel (1685 – 1759) – arr. Francisco Neves (2000) Halleluja
Pavel Chesnokov (1877 – 1944) Salvation is Created
Willem van Twillert (1952) Encontro
Orgel solo
Eugène Gigout (1844-1925) Toccata
Saxofoons en orgel
Rob Goorhuis (1948) Wanderer im Tal der Gegenwart
– Meditation für die Fastenzeit
– Mt. 3, 1 – 11
Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) – arr. Bernardo Salabert Concerto for Two Violins BWV 1043
– Vivace
– Largo ma non tango
– Allegro
Orgel solo
Jehan Alain (1911 – 1940) Variations sur un thème de Clément Jannequin
Saxophones solo
Leonard Cohen (1934 – 2016) Halleluja
Saxofoons en orgel
Ferrer Trindade (1917 – 1999) – arr. Hristo Goleminov Cançao do Mar

Uitvoerenden

Ton van Eck, orgel
Vento do Norte o.l.v. Henk van Twillert
Henk van Twillert – Baritone / Soprano
Nuno Ramos – Primarius / Soprano
Sara Pais – Soprano / Alto
Vitoria Ferreira / Alto
Luis Nitsche – Tenor/ Baritone
Gleysser Menezes / Tenor
Gonçalo Silva – Tenor / Baritone Saxophone

Toelichting op het programma

Het motto van dit concert, “Halleluiah!” Is ontleend aan twee zeer bekende, maar heel verschillende stukken met die naam die vandaag worden uitgevoerd. Het programma van vandaag kent grote contrasten tussen vreugde en melancholie, en virtuositeit en beschouwing. Opmerkelijk is ook het grote aantal bewerkingen dat het programma bevat. Dat komt omdat de saxofoon een betrekkelijk “jong” instrument is. De saxofoon is een vinding van de Belgische intrumentenbouwer Adolphe Sax (1814-1894) naar wie het instrument is genoemd. Hij liet zijn eerste saxofoon in 1846 patenteren. Sax stond een instrument voor ogen met de souplesse van een strijkinstrument, het dynamische bereik van een koperen blaasinstrument en de klankmogelijkheden van een houten blaasinstrument. Al gauw verwierf het zijn positie in zowel de harmonieorkesten als de symfonieorkesten.

En wat betreft de bewerkingen: in het midden van de 20ste eeuw werd daar nogal laatdunkend over gedaan, maar ze zijn al vanaf de Renaissance wijd verbreid in de weaterse muziekwereld. Dankzij de bewerkingen konden mensen kennis maken met muziek waar ze, vóór de opkomst van de geluidsdragers vanaf het begin van de 20ste eeuw, geen toegang toe hadden. Zo openen saxofoons en orgel gezamenlijk dit  concert met het bekendste Halleluja in de klassieke muziekwereld dat Handel schreef als afsluiting van het tweede deel van zijn driedelig oratorium The Messiah.

De Russische componist Pavel Cesnokov liet een groot oeuvre na waaronder zo’n 500 koorwerken waarvan 400 bestemd zijn voor de Russisch orthodoxe liturgie. In de communistische periode werd hem het uitgeven van zijn liturgische muziek onmogelijk gemaakt.

Er klinken ook originele werken voor saxofoon(s) en orgel tijdens dit concert. Het eerste is Encontro (Ontmoeting) dat organist Willem van Twillert opdroeg aan zijn broer Henk. Daarin dialogeren de baritonsaxofoon en het orgel.

Vervolgens klinkt de virtuoze Toccata van de Franse organist Eugène Gigout, vaste bespeler van het orgel in de Saint-Augustin te Parijs en in de laatste periode van zijn leven orgeldocent aan het Conservatoire national te Parijs. Zijn orgelwerken hebben alle kenmerken van de verfijnde elegantie van het fin de siècle, een stijl die al gauw werd achterhaald door een volgende generatie onder wie Vierne en Dupré. Vandaar dat hij minder bekendheid geniet dan hij, op grond van de kwaliteit van zijn composities verdient. Deze toccata is, met zijn doorgaande beweging, één langzaam crescendo naar het fortissimo klinkende slot.

Rob Goorhuis schreef Wanderer im Tal der Gegenwart voor het project Saxophonia dat in maart 2020 aan de Musikakademie van de Bund Deutscher Blasmusikverbände in Staufen (Baden-Württemberg) plaatsvond De première vond plaats in de abdij-kerk van Münstertal im Breisgau door het Ensemble Saxofourte en organiste Karin Karle. De Bijbeltekst van Mattheus waarop het werk is gebaseerd gaat over Johannes de Doper, met name over de periode dat hij in de woestijn verbleef, als een meditatie voor de vastentijd..

Eigenlijk is de bewerking door Bernardo Salabert van Bachs dubbel vioolconcert een bewijs van wat Adolphe Sax als een van de mogelijkheden van zijn instrumenten voor ogen stond: de souplesse van een viool. En voor wie deze bewerking minder waardeert: Bach bewerkte dit concert zelf voor twee klavecimbels. 

De op 29-jarige leeftijd gesneuvelde Jehan Alain schreef de melancholieke variaties over het madrigaal @@ van Jannequin op 26-jarige leeftijd. Enerzijds is de harmonisatie klassiek, maar anderzijds wordt deze afgewisseld met modernere klanken die aan de oosterse muziek doen denken. Niet alleen dat geeft dit stuk een aparte kleur maar ook de kleurrijke registratie, geïnspireerd door het huisorgel van zijn vader Albert Alain.

Hallelujah van de Canadese singer-songwriter Leonard Cohen verscheen voor het eerst op diens album Various Positions uit 1984. Sindsdien is het tientallen keren door anderen opgenomen en bereikte het daardoor een ongekende populariteit als zijn bekendste lied. Zelf verklaarde hij het volgende erover: er bestaan veel hallelujahs en de ongeschonden zijn evenveel waard als de kapotte. Het is een verlangen om mijn geloof te bekrachtigen. Niet op een formele religieuze manier, maar met enthousiasme en emotie.Cançao do mar (Lied van de zee) is een Fado (Portugees levenslied) dat Ferrer Trindade in 1955 schreef en dat datzelfde jaar grote bekendheid verwierf door de zangeres Amália Rodrigues. Sindsdien is het door vele andere zangers en zangeressen opgenomen.

Gegevens concert

Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. De hoofdingang bevindt zich tussen de torens aan het Bisschop Bottemanneplein. Tot de zomer van 2025 is de hoofdingang niet toegankelijk en wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke ingang aan de Jos Cuypersstraat (tegenover nr. 30).
Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina



Sponsoren 2025

Sponsoren 2024