https://willibrordusorgel.nl/category/agenda/agenda-verleden/page/6/?query-a9c5aa38-page=4
Geplaatst op: 18 april 2026
Quentin Guérillot
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Programma
Ottorino Respighi (1879-1936)
Preludio in re minore
Ottorino Respighi (1879-1936)
Preludio in la minore
Max Reger (1873-1916)
Choralfantasie “Wie schön Leucht’uns der Morgenstern”
Paul Hindemith (1895-1963)
Orgel Sonata no. 2 : 1. Lebhaft 2. Ruhig Bewegt
Pierre Pincemaille (1956-2018)
Prélude et fugue sur le nom d’Aristide, improvisation reconstituée par Dimitri Soudoplatoff et Quentin Guérillot
Organist
Quentin Guérillot, geboren in Mulhouse, studeerde aan het Conservatoire National Supérieur de Paris bij grote meesters als Michel Bouvard en Olivier Latry voor orgel, Olivier Baumont voor klavecimbel, Thierry Escaich en Pierre Pincemaille voor schrift en improvisatie, en won 7 eerste prijzen. Als leerling van Vincent Warnier volgde hij ook talrijke masterclasses bij Louis Robillard, Bernhard Haas, Andreas Staier en Christophe Rousset en werkte hij aan het Italiaanse orgelrepertoire met de gerenommeerde organist en musicoloog Andrea Macinanti. In mei 2018 werd hij op 25-jarige leeftijd benoemd tot titulair organist van de Cavaillé-Coll-orgels in de Kathedrale Basiliek van Saint-Denis, als opvolger van zijn mentor Pierre Pincemaille. Sindsdien is hij artistiek leider van het orgelconcertseizoen van de kathedraal en treedt hij regelmatig op als solist tijdens het Festival van Saint-Denis, met name met Khrystyna Sarksyan en David Guerrier. Hij treedt ook regelmatig op onder leiding van prestigieuze dirigenten als Matthias Pintscher, Marko Letonja en Jukka-Pekka Saraste in de Philharmonie de Paris en het Théâtre Antique d’Orange.
Hij studeerde af aan Leonardo García Alarcón’s “maestro al cembalo” klas aan de HEM in Genève, is klavecinist en vocaal coach en begeleidt zangers aan de Aix-en-Provence Festival Academy in juni 2022.
Zijn eerste cd, “L’orgue chambriste, du salon à la salle de concert”, uitgebracht op het label Initiale, werd unaniem lovend ontvangen (Choc de Classica).
Toelichting op het programma
Volgt
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Sponsoren 2024
Balthasar Baumgartner
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Programma
“Geboren rond 1870”
Franz Schmidt (1874 – 1939)
Präludium und Fuge in D-Dur “Halleluja”
Max Reger (1873 – 1916)
Benedictus Des-Dur (op. 59/9)
Louis Vierne (1870 – 1937)
Symphonie Nr. 2 in e-Moll: – III. Scherzo – IV. Cantabile
Camillo Schumann (1872 – 1946)
Sonate Nr. 6 in a-Moll (op. 110) – I Andante sostenuto – Allegro con brio – II Andante cantabile – III Intermezzo – IV Toccata
Organist
Balthasar Baumgartner groeide op in het district Rosenheim/Upper-Beieren en heeft zijn muzikale wortels in de Beierse volksmuziek. Na zijn eerste piano- en orgellessen in Rosenheim studeerde hij tijdens zijn schooltijd orgel bij Elisabeth Ullmann aan het Mozarteum in Salzburg. Na de middelbare school studeerde hij katholieke kerkmuziek en orgel aan de Universiteit voor Muziek en Theater in München (orgel bij Harald Feller, improvisatie bij Wolfgang Hörlin, koordirectie bij Michael Gläser). Hij rondde daar zijn studie af met het A-examen kerkmuziek (2009) en het masterclassdiploma orgel (2010).
Hij ontving prijzen op het Duitse muziekconcours in Bonn, het August Everding muziekconcours in München en het Canadese internationale orgelconcours in Montréal. In 2010 won hij de eerste prijs en de speciale prijs voor nieuwe muziek op het Internationale Orgelconcours van Mainz.
Van 2009 tot 2011 was hij muzikaal assistent aan de Dom van Keulen. Zijn weg leidde hem vervolgens naar het bisdom Osnabrück, waar hij van 2011 tot 2018 werkte als regiocantor in de Propsteikirche St Vitus in Meppen (dekenaat Emsland-Mitte). Daar leidde hij de koren van de proosdijkerk, de Städt. Musikverein Meppen en richtte hij – samen met zijn collega Frauke Schwind – het Emsland Kamerkoor op.
Als directeur van het seminar voor kerkmuziek in Meppen leidde hij de C-opleiding in Emsland en stapte in 2018 over naar de functie van regiocantor in de St. Bonifatius in Lingen (decanaat Emsland-Süd). Sinds februari 2021 werkt hij als kathedraalorganist aan de St-Pieterskathedraal in Osnabrück en blijft hij werkzaam in het kerkmuziekopleidings- en bijscholingsprogramma van het bisdom.
Als organist houdt hij zich bezig met alle tijdperken van de orgelliteratuur en heeft hij zich in het verleden ingezet voor verschillende speciale concertprojecten. In 2017 werden bijvoorbeeld alle orgelwerken van J.S. Bach uitgevoerd in het kader van het project “Bach in Meppen”. In 2020 speelde hij de 6 orgelsymfonieën van Louis Vierne in Lingen ter gelegenheid van zijn 150e geboortedag.
Toelichting op het programma
Franz Schmidt is bij ons redelijk onbekend, maar in zijn geboorteland Oostenrijk maakte hij een mooie muzikale carrière. Hij werd geboren in Bratislava dat in het Hongaarse deel van de Donaumonarchie gelegen was. Hij kreeg zijn eerste piano-onderwijs van zijn moeder en daarna orgelles van een frater van de Franciscanerkerk in zijn woonplaats. Nadat de familie naar Wenen was verhuisd ging Schmidt in 1889 naar het conservatorium aldaar. Hij studeerde daar cello en harmonieleer (korte tijd bij Anton Bruckner). In 1896 werd hij sollocellist bij de Wiener Philharmoniker, in 1914 pianodocent aan de Musikakademie waar hij in 1922 ook leraar voor contrapunt en compositie werd. Vervolgens werd hij in 1925 directeur van dat instituut dat twee jaar later tot Musikhochschule werd verheven met Schmidt als rector. Als componist is hij een van de laatste vertegenwoordigers van de symfonisch-romantische school. Hij schreef 2 pianoconcerten voor de linkerhand (opgedragen aan Franz Wittgenstein aan wie ook Maurice Ravel zijn concert voor de linkerhand opdroeg. Zijn bekendste werk is het oratorium Das Buch mit den sieben Siegeln. Van het vandaag gespeelde orgelwerk wordt het Preludium ook wel “Halleluia -Preludium” genoemd omdat het thema is ontleend aan het “Halleluia” uit dat oratorium.
Max Reger associëren we vaak met zijn monumentale koraalfantasieën, waarbij hij, hoewel rooms-katholiek, zich liet inspireren door de Evangelisch Lutherse koraalmelodieën. Hij is echter ook de meester van de kortere stukken waarvan hij meerdere bundels het licht deed zijn. Daarvan zijn er enkele uit opus 59 geïnspireerd door de r.-k. liturgie zoals dit tere Benedictus waarbij de mooie zachte grondstemmen van het Willibrordusorgel zo goed tot hun recht komen.
Qua stijl heeft Louis Vierne met zijn Tweede Symfonie een grote stap gezet ten opzichte van zijn Eerste Symfonie. Stond de eerste nog geheel onder de invloed van de chromatiek van Widor, in de tweede laten de voor Vierne kenmerkende impressionistische en door modaliteit geïnspireerde samenklanken zich steeds meer horen. Ook is er voor het eerst in een van zijn symfonieën, sprake van de cyclische vorm. De eerste getuige van deze ontwikkeling is vanmiddag het speelse Scherzo in 6/8ste maat met een lyrische melodie in het pedaal bij het trio, en de tweede het Cantabile dat twee contrasterende thema’s telt waarvan een bedoeld is voor de Clarinet. Dit deel herinnert ergens nog aan zijn vroegere orgelleraar César Franck.
Camillo Schumann (nee, geen familie van Robert Schumann!) was een van de vier muzikale zonen van de Stadtmusikdirektor van Königstein in de Sächsigen Schweiz (in de omgeving van Dresden). Hij studeerde orgel en compositie in Leipzig en Berlijn. Als 24-jarige werd hij in 1896 organist van de St. Georgenkirche en van de kapel van de Wartburg in Eisenach, de geboorteplaats van Johann Seb. Bach. Hij maakte carrière als concertorganist (voornamelijk met werken van J.S. Bach), speler van kamermuziek, en als docent. In 1906 verwierf hij de titel „Großherzoglich Sächsischen Musikdirectors und Hoforganisten“, maar in 1914 gaf hij al zijn functies op en verhuisde hij naar Gottleuba in zijn geboortestreek waar hij verder een teruggetrokken bestaan leidde om zich geheel aan compositie te wijden. Ondanks zijn 200 (!) liederen, kamermuziek en pianocomposities ligt het zwaartepunt van zijn oeuvre op zijn orgelwerken met niet minder dan 6 kloeke sonates waarvan de laatste, die vandaag wordt uitgevoerd en bijna een half uur duurt, pas in 1977 in druk verscheen. Voor zover bekend is de integrale uitvoering van deze sonate een première voor Nederland. Camillo Schumann behoort duidelijk tot de nabloei van de Duitse romantiek, maar bij het laatste deel is niet alleen de titel geïnspireerd door het slotdeel van de 5de Symfonie van zijn Franse collega Widor…….
Ton van Eck
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon, o.a. te voldoen met onderstaande QR-code. Donaties: zie donateurspagina
Tijdens haar concerten verleidt Shin-Young LEE het publiek altijd door haar sterke spirituele en muzikale betrokkenheid en door de originaliteit van haar programma’s die zowel het orgelrepertoire als transcripties combineren.
Ze heeft op vijf continenten opgetreden in vele concertzalen (Philharmonie de Paris, Berliner Philharmonie, Madrid Auditorio Nacional, Auditorium de Radio France, Los Angeles Walt Disney Hall, Moscow Zaryadye, Maison symphonique de Montréal, Stavanger Concert Hall, Auditorium de Lyon, Dortmund Concert Hall, Seoul Sejong Art Concert Hall, Dallas Meyerson Symphony Center, Gulanyu Organ Museum of China), en in prestigieuze plaatsen zoals Notre Dame de Paris, Oratoire Saint Joseph de Montréal, Kathedraal van Genève, Universiteit van Pretoria…
Ze trad op in vele festivals: Lahti Organ Festival, Festival Musica, Bødø Festival, Festival International de Chartres, Festival of Sacred Arts (Reykjavik), Festival Bach de Montréal, Haarlem Festival, Festival ” Toulouse les orgues “. Ze wordt ook vaak uitgenodigd om met orkest op te treden. Binnenkort speelt ze het Poulenc Concerto, Barber Toccata Festiva, Robin Mechanic Fantasy en het Emma-Lou Diemer Concerto.
Ze wordt vaak gevraagd om zitting te nemen in de jury van internationale concoursen, en om masterclasses te geven die ze met plezier aanvaardt, om zo kunst en passie door te geven aan toekomstige generaties.
In opdracht of op eigen initiatief werkt ze intensief aan transcripties van muziek van componisten als Bach, Saint-Saëns, Borodin, Ravel, Prokofiev… Een van haar laatste werken, “Le Carnaval des Animaux” van Camille Saint-Saëns, werd uitgegeven door de legendarische uitgever Schott, en was het onderwerp van een video (beschikbaar op YouTube) opgenomen op het orgel van Radio France.
Ze heeft haar sporen verdiend met opnames: “Transprovisations”, op het orgel van de Michaelskirche in München en Stravinsky (de Lentewijding, vierhandig met Olivier Latry).
Shin-Young LEE woont in Parijs en is geboren in Zuid-Korea, in een familie van musici. Ze begon op vierjarige leeftijd piano te spelen en orgel bij Dong-Lim Min. Daarna verbeterde ze haar orgelstudie bij Tong-Soon Kwak, Jean-Paul Imbert, Michel Bouvard, Olivier Latry en Jean Guillou.
Toelichting op het programma
Julius Reubke componeerde de sonate tijdens zijn piano- en compositiestudie bij Franz Liszt in Weimar, tegelijkertijd met zijn tweede grote werk, de Pianosonate in Bes klein. Hij voltooide de compositie van de orgelsonate in april 1857 en droeg het op aan professor Carl Riedel. Hij speelde de première op het Ladegast-orgel in de kathedraal van Merseburg op 17 juni 1857. De negen geïnterpreteerde verzen van de 94e Psalm gaan vooraf aan de muzikale tekst. De sombere klaagzang inspireert het karakter van het werk. Het is geïnspireerd op Liszts orgelfantasie over Ad nos, ad salutarem undam en zijn pianosonate in B mineur. Net als bij Liszt vloeien de drie delen in elkaar over zonder pauzes of cesuren. Het werk is zeer geïndividualiseerd en vereist een geavanceerde pedaaltechniek en een bewust gebruik van het orgel.
Reubke’s orgelsonate is zowel een symfonisch gedicht als programmamuziek. Het heeft een monothematische structuur: Het openingsthema van het stuk vormt de basis voor al het overige thematische materiaal. Het inleidende langzame deel wordt gevolgd door de ontwikkeling in een “vurig” Allegro con fuoco. In het langzame tweede deel worden verdriet en troost muzikaal ingekleurd. Het afsluitende derde deel is een gepassioneerde fuga waarin Gods oordeel en overwinning op het kwaad in klank worden uitgebeeld.
Grave-Larghetto
Vers 1 Herr Gott, dess die Rache ist, erscheine. Vers 2 Erhebe Dich, Du Richter der Welt; vergilt den Hoffärtigen, was sie verdienen.
Allegro con fuoco
Vers 3 Herr, wie lange sollen die Gottlosen prahlen? Vers 6 Wittwen und Fremdlinge erwürgen sie und tödten die Waisen Vers 7 und sagen: der Herr sieht es nicht und der Gott Jacobs achtet es nicht.
Adagio
Vers 17 Wo der Herr mir nicht hülfe, so läge meine Seele schier in der Stille. Vers 19 Ich hatte viel Bekümmernisse in meinem Herzen, aber deine Tröstungen ergötzen meine Seele.
Allegro
Vers 22 Aber der Herr ist mein Hort und meine Zuversicht. Vers 23 Er wird ihnen ihr Unrecht vergelten und sie um ihre Bosheit vertilgen.
Als rustpunt tussen de twee grote pijlers van dit programma klinkt Shin-Young Lee’s bewerking van deze lyrische aria (met klarinetsolo) uit Camille Saint-Saëns’ bekendste opera.
Charles-Marie Widors verreweg meest geliefde compositie is de vijfde orgelsymfonie. Ze dankt deze populariteit in de eerste plaats aan de haar afsluitende toccata, naast Bachs toccata en fuga in d het bekendst geworden stuk uit de orgelliteratuur.
Ook het openingsdeel spreekt vele mensen sterk aan. Dit is een gesloten variatievorm, d.w.z. een variatievorm waarbij de variaties in elkaar overgaan. Het 48 maten lange thema draagt een energiek karakter en valt harmonisch op door zijn ongedwongen klinkende uitwijkingen van f-klein naar As-groot, C-groot, g-klein en Des-groot. In de eerste variatie horen alleen de eerste 32 maten van het thema; de grondnotenwaarde van de kwartnoot is vervangen door die van de achtste noot. Variatie 2 omvat 40 maten, zet de achtsten beweging voort en verplaatst de melodie ten dele naar de bas. Het procedé van inkorting der grondnotenwaarde leidt in variatie 3 tot een perpetuum mobile in zestienden, dat een geraffineerd toucher verlangt; in harmonisch opzicht is de band met het thema nu wat losser geworden. Var. 4 brengt verandering van toongeslacht, van tempo en van karakter; de binding aan het thema is nog ternauwernood aanwezig, zodat de indruk van een intermezzo-achtig alternatief gewekt wordt. De zeer lange var. 5 met haar verre modulaties van f-klein naar d-klein, b-klein, es-klein, bes-klein, as-klein e.a. en met haar dialectische ontwikkeling van het thema representeert duidelijk het van klassieke eerste symfoniedelen welbekende doorwerkingselement. Variatie 6 houdt zich weer hecht aan het thema en sluit het geheel met imposant klinkende akkoorden af.
Deel 2 in f-klein is een serenade. Na een inleidende fluitsolo komt een charmante hobomelodie met pizzicato-begeleiding. Deze hobomelodie, hier en daar afgewisseld met fluitfrasen, heeft een fraaie boogvorm met in het midden naar As-groot, A-groot en a-klein uitwijkende zinnen. Een in Des-groot beginnend alternatief laat tegen een romantisch voix céleste-fond hoge en lage fluitguirlandes horen, welke, wat betreft het motief, met de hobomelodie verbonden blijven. Een verkorte reprise in de hoofdtoonsoort rondt het pretentieloze tafereeltje af.
Het menuet – resp. scherzo-onderdeel binnen de traditionele grootvorm van de symfonie is present in deel 3, een andante quasi allegretto in As-groot. Charmeert deel 2 echter vooral door zijn melodiek, deel 3 leeft meer van een aantrekkelijke ritmiek, hoewel er ook van de in de loop van het stuk op het Grand Orgue inzettende melodie wel terdege een bepaalde bekoorlijkheid uitgaat. Als opmaat tot de toccata-finale grijpt Widor weer naar zijn geliefd langzaam intermezzo. Ditmaal fungeert als zodanig een kort adagio in C-groot, dat met een canon begint. De weke céleste-registratie is bedoeld als contrast tot de machtige klankexpansie van de toccata.
Deze toccata is de meest effectvolle bladzijde uit de Franse orgelliteratuur. Pakkende ritmiek, prikkelend staccato en elementaire melodiek zijn het die het hier doen. Van de hoge manuaalklank gaat een zeldzaam suggestieve werking uit en het in al zijn eenvoud toch grandioze slot blijft iets unieks. (naar Harry Mayer)
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage (aan de kassa of door scannen van onderstaande QR-code vanuit uw bank-app). Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Sponsoren 2024
Thomas Schmitz
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Programma
Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)
Passacaglia in c BWV 582
Johannes Brahms (1833 – 1897)
Aus den Choralvorspielen op. 122: 1. Mein Jesu, der du mich 4. Herzlich tut mich erfreuen die liebe Sommerzeit 5. Schmücke dich, du liebe Seele 7. O Gott, du frommer Gott
Sigfrid Karg-Elert (1877 – 1933)
Passacaglia und Fuge über B-A-C-H op. 150
Organist
Thomas Schmitz werd geboren in Keulen. Aanvankelijk was hij leerling van de kathedraalorganist Andreas Meisner (Altenberg). Daarna studeerde hij kerkmuziek aan de muziekuniversiteit van Stuttgart, orgel bij Ludger Lohmann, improvisatie bij Willibald Bezler en directie bij Dieter Kurz. Postdoctorale studie klavecimbel bij Jon Laukvik. Opleiding tot orgelexpert. Deelname aan verschillende masterclasses.
Na zijn werk als organist en koordirigent in Keulen, Oppenweiler (Württemberg), aan de katholieke parochiekerk in Nürtingen/Neckar en als dekenaal kerkmusicus in Freudenstadt (Zwarte Woud), is hij sinds 2003 kathedraalorganist aan de kathedraal van Münster.
Daarnaast treedt hij veel op in binnen- en buitenland. Hij werkte samen met vele gespecialiseerde ensembles voor oude muziek. Talrijke cd-producties. Sinds 2011 heeft hij ook een docentschap (orgel als artistiek hoofdvak) aan de muziekuniversiteit van Münster.
Toelichting op het programma
De Passacaglia en Fuga van Johann Sebastian Bach behoren tot zijn jeugdwerken. Het werk verraadt de genialiteit van de jonge Bach. Het ostinate thema, de telkens herhaalde baslijn die het fundament van een passacaglia vormt, telt niet de gebruikelijke vier, maar acht maten en het stuk telt niet de gebruikelijke vijf à zes, maar twintig variaties. In het thema fugatum wordt het thema ook nog eens gesplitst en opgevat als twee afzonderlijke thema’s die, vergezeld van een derde thema, het materiaal vormen voor een ingenieuze fuga. Het oorspronkelijke manuscript is niet teruggevonden. De vroegste kopie die bekend is, is die uit het bezit van Johann Sebastians oudere broer, Johann Christoph Bach bij wie Johann Sebastian tussen 1695 en 1700 verbleef. Die kopie is vervaardigd tussen 1706 en 1713, dus na het bezoek dat de jonge Bach in 1705 aan Buxtehude bracht. Deze zal, wat betreft de variatiewerken, de meeste invloed op hem hebben gehad. Dat zou erop kunnen wijzen dat Bach zijn Passacaglia kort na de terugkeer van zijn reis naar Noord-Duitsland componeerde. Toch kan Bach gebruik hebben gemaakt van een voorbeeld. Dat was de in 1698 verschenen Passacaglia van Johann Krieger met eveneens een thema van acht maten en met maar liefst 29 variaties. Te midden van de vele passacaglia’s die in de loop der eeuwen zijn geschreven blijft die van Bach een uniek meesterwerk.
Hoewel hij zichzelf als agnosticus beschouwde, schreef Johannes Brahms een aantal religieuze composities, waaronder zijn Deutsches Requiem. De 11 koralen op. 122 vormen zijn laatste opusnummer en werden gecomponeerd in 1896, het jaar waarin zijn vriendin Clara Schumann overleed. Veel, maar niet al deze koraalvoorspelen, verwijzen naar de dood. Brahms grijpt veel terug op de contrapuntiek van de barok, Zo maakt hij in ‘Mein Jesu,der du mich‘ en ‘Herzlich tut mich erfreuen’ gebruik van de voorimitatie die Johann Pachelbel al toepaste. Bij de laatste van deze twee koralen maakt hij daarentegen ook gebruik van gebroken akkoorden die weer eerder op de pianotechniek zijn geënt. Het ontroerende en ingetogen ‘Schmücke dich, o liebe Seele is driestemmig waarbij een bas en een lopende middenstem de melodie in de sopraan begeleiden. Eenzelfde dicht stemmenweefsel kent ‘O wie selig seid ihr doch, ihr Frommen’. In ‘O Gott, du frommer Gott’ is sprake van een terrassendynamiek: forte en piano, Het begint driestemmig, maar eindigt, via vierstemmigheid, vijfstemmig. In het donker gekleurde ‘Herzlich tut mich verlangen’ begeleiden achtsten in de bas en een vloeiende melodie in sopraan en alt de cantus firmus in de tenor (in het pedaal). (z.o.z.)
Sigfrid Karg Elert wordt vaak in een adem genoemd met zijn grote voorbeeld Max Reger. Maar daarmee doet men hem onrecht, want zijn muzikale ontwikkeling ging verder dan die van Reger. In zijn laatste levensfase zien we bij Karg Elert de invloed van het impressionisme en zelfs een zweem van atonaliteit. De magistrale Passacaglia und Fuge über B-A-C-H, op. 150 is een huldebetoon aan de grote Leipziger orgelmeester van twee eeuwen eerder. Karg Elert speelde zelf de wereldpremière op 12 december 1931 in de Johanniskirche in Leipzig. Het manuscript van de componist zelf is verloren gegaan. Alle uitgaven zijn gebaseerd op een bewerking (met sterke inkorting van de Passacaglia) van de jonge, nog kerkmuziek studerende, met Karg Elert bevriende Johannes Piersig (1907-1998). Deze liet de Fuga wel intact. Zolang het handschrift van de componist niet boven water komt, blijft dit monumentale stuk, zoals zoveel werken van Karg Elerts hand, een raadselachtige maar boeiende compositie.
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Te Deum Window to Bruckner’s 7th Symphony / Choral Prelude XL for organ solo (2023)
Anton Bruckner (1824-1896)
Sinfonie Nr.7 E-Dur WAB 107 (Orgelbewerking: Erwin Horn) 1. Allegro moderato (in E) 2. Adagio: sehr feierlich und sehr langsam (in cis) 3. Scherzo: sehr schnell – Trio: etwas langsamer (in a) 4. Finale: bewegt, doch nicht schnell (in E)
Organist
Hansjörg Albrecht is een van de weinige artiesten die internationaal aanwezig is als dirigent, concertorganist en klavecinist. De universele musicus en Capellmeister in het barokke muziekbegrip geldt vooral als specialist voor de weelderige muziek van de 18e eeuw – voor Händel, Bach en zijn zonen en de Weense Klassieken.
Als buitengewoon veelzijdig musicus gaat hij echter consequent zijn eigen weg: met een voortdurende preoccupatie met Bruckner en Wagner en een uitgebreid repertoire tot Olivier Messiaen, talrijke wereldpremières en een faible voor vergeten componisten als Hans Rott, Walter Braunfels en Mieczysław Weinberg. Met zijn orgeltranscripties vestigde hij zich als specialist onder de virtuozen van zijn instrument. Albrecht volgde de legendarische Karl Richter op als dirigent van het Münchner Bachkoor en het Münchner Bachorchester van 2005 tot 2023 en leidde het ensemble naar nieuwe internationale faam met concerten en tournees in Europa, Rusland, Israël en Japan. Hij is de vaste gastdirigent van het Carl Philipp Emanuel Bach Choir Hamburg en hoofdgastdirigent van het Teatro Petruzzelli Bari, het op drie na grootste operahuis van Italië.
Als artistiek directeur van de nieuw opgerichte CPE Bach Academie, die onder beschermheerschap staat van Ton Koopman, werkt hij aan de internationale profilering van Hamburg als Bachstad. Daarnaast werkt hij al vele jaren nauw samen met het Opera House San Carlo Napels, het Russisch Kamerorkest Moskou, de Staatskapelle Weimar en de Symfonieorkesten van Hamburg en München.
Zijn concertactiviteiten brengen hem naar muziekcentra als Londen, Parijs, Amsterdam, Wenen, Berlijn, Rome, Praag, Moskou, Tokio en New York en hij werkt regelmatig samen met internationaal gerenommeerde artiesten en orkesten. Albrecht dirigeerde prestigieuze Mozart-operaproducties in het Teatro San Carlo Napels en het Dubai Opera House en balletprojecten met de dansgezelschappen van Marguerite Donlon en Boris Eifman.
Huidige projecten brengen hem verschillende keren door Europa en naar China. In 2024 staat Anton Bruckner centraal in zijn concertactiviteiten met verschillende concertprojecten ter gelegenheid van diens 200e geboortedag. Hij heeft meer dan 30 cd’s uitgebracht als dirigent en organist op het label OehmsClassics en is genomineerd voor een GRAMMY Award. In 2024 zal hij de eerste complete opname van alle Bruckner-symfonieën als orgeltranscripties op originele Europese locaties realiseren.
Toelichting op het programma
“Als het werk mislukt, vertrek ik ’s nachts en in de mist!”
De grote klokken op het Saksische treinstation in Leipzig wijzen op de ochtenduren van een ijzige 27 december 1884, als de koerierstrein uit Wenen onder luid gestommel en gesis aankomt in de handels- en muziekstad Leipzig. Bijna niemand op het perron zou zich iets aantrekken van de oude man die na een vermoeiende reis uit de trein stapt, ware het niet dat hij door zijn kenmerkende Opper-Oostenrijkse dialect herkenbaar is als een vreemdeling die waarschijnlijk de weg naar het hotel vraagt. Ook opvallend – en ongebruikelijk voor de modebewuste beursbezoekers – zijn zijn wijde, wijde broeken van huisgemaakte loden stof, zijn grote, plankachtige overrok en een brede, zwarte slappe hoed die hij op zijn enorme hoofd draagt met zijn rustieke, wrange gelaatstrekken. Een verschijning – volgens een levendige beschrijving door Bruckners leerling Friedrich Eckstein – die Bruckner suggereert als een verwachtingsvolle en nogal opgewonden vreemdeling. Als Bruckner eindelijk uit het station stapt, ziet hij het centrum van Leipzig recht voor zich, inclusief zijn hotel “Stadt Rom”, waar het Leipziger Theater een kamer met het beste uitzicht voor hem als eregast heeft gereserveerd. Zijn uitzicht uit het raam voert hem over de Zwanenvijver naar het Museum voor Schone Kunsten, het eerbiedwaardige Alma Mater en het Nieuwe Theater, waar zijn 7e Symfonie in première zou gaan…
Zoals blijkt uit zijn dagboek, dat hij speciaal voor zijn verblijf in Leipzig bijhield, gebruikt hij de dagen voor de première ook om Gewandhaus-dirigent Carl Reinecke te bezoeken, want er is momenteel maar één gespreksonderwerp in Leipzig: de openingsceremonie van het Nieuwe Gewandhaus. Mensen praten enthousiast over de architectonisch en akoestisch uitstekende muziektempel, die Bruckner zelf ook graag zou willen bezoeken. Reinecke vervulde niet alleen Bruckners wens, maar nodigde hem – als gevierd orgelprofessor – ook uit om op de avond van 29 december 1884 het romantische Walcker-orgel in het Nieuwe Gewandhaus te bespelen voor genodigden. Als verwijzing naar het Gewandhaus en uit eerbied voor de voormalige Gewandhauskapelmeester Felix Mendelssohn Bartholdy besloot hij diens orgelsonates te spelen en improviseerde hij vervolgens op het Adagio van zijn 7e Symfonie, die op het punt stond in première te gaan. Met dit gastoptreden zal Bruckner de geschiedenis van het Gewandhaus ingaan als de uitvoerder van het eerste orgelconcert in het Nieuwe Gewandhaus, aangezien het instrument slechts één keer eerder was bespeeld ter gelegenheid van de inwijding als onderdeel van de openingsfeesten van de Tempel der Muzen.
Maar wat moet er in Bruckners hoofd omgegaan zijn toen de directie van het Gewandhaus hem alleen erkende en waardeerde als een zeer gerespecteerde keizerlijke en koninklijke hoforganist? Hoforganist, maar zijn werk als symfonicus niet erkende?
De volgende dag, op 30 december 1884, vond de langverwachte en opwindende première van zijn 7e Symfonie plaats. Verrassend genoeg vond het concert plaats in het operagebouw (!) van het Nieuwe Theater in Leipzig. Het Gewandhaus Orkest speelt hier ook, maar in het operahuis wordt het niet gedirigeerd door zijn baas, de Gewandhauskapellmeister, maar door de Kapellmeister van het Eerste Theater. Zijn naam: Arthur Nikisch. In die tijd was zijn toekomstige positie als Gewandhauskapellmeister nog ver weg. Maar Nikisch wist hoe hij zijn stempel moest drukken: Hij bereikte een jong, ruimdenkend publiek met werken van de zogenaamde “Nieuwe Duitse componisten”, zoals Liszt, Wagner en Bruckner, die door het Gewandhaus werden gemeden. Nikisch richt zich treffend op operafans die al gewend zijn aan Wagneriaanse muziekdrama’s in het Neues Theater – zijn operahuis – die nu voor het eerst een werk van de in Leipzig nog volledig onbekende componist te zien krijgen. Het theater hoefde geen financiële risico’s te nemen, want een uitvoering als “abonnementsvoorstelling” garandeerde een volgeboekte zaal.
Nikisch, die op 29-jarige leeftijd voor het eerst in zijn dirigentencarrière een dergelijk symfonieconcert dirigeerde, repeteerde de symfonie nauwgezet met de Gewandhausmusikanten in vijf repetities en creëerde zo de beste voorwaarden voor het succes van de première. En de Zevende wordt echt een internationale doorbraak voor Bruckner: “Aan het eind werd er een kwartier lang geapplaudisseerd”, meldt Bruckner enthousiast aan zijn vriendenkring in Wenen, wat niet overdreven is, vooral omdat de meeste nationale en internationale berichten vol lof zijn.
In de Berliner Tagesanzeiger lezen we: “Daar stond hij in zijn bescheiden gewaad voor de opgewonden menigte en boog hulpeloos en onhandig de ene keer over de andere. Soms was er een weemoedige trek rond de mond van de oude heer, alsof het was van een moeizaam onderdrukte emotie, soms was er een wonderlijke gloed in zijn ogen, en het niet mooie, maar sympathieke, loyale gezicht glansde met het soort warme, oprechte vreugde die kan worden gezien op het gezicht van een man wiens hart is te goed om te worden verbitterd door zelfs de ergste valkuilen van deze wereld.
Ja, hij is een natuur, deze Bruckner, een volledige natuur, als man en als artiest. Daardoor had hij ons allemaal veroverd, zodat we, toen het laatste akkoord van zijn schepping was weggeëbd, ons verbaasd afvroegen: “Hoe is het mogelijk dat je zo lang een vreemde voor ons kon blijven?”
Anton Bruckner moet echter een onbeschrijfelijke vreugde hebben gevoeld toen Nikisch’ respect, bewondering en erkenning voor Bruckner zich geleidelijk ontwikkelde tot een vriendschappelijke relatie. Bruckner bedankte de eenendertig jaar jongere dirigent herhaaldelijk voor de première in Leipzig, aanvankelijk in een onderdanige en devote stijl, maar met toenemend succes met warme woorden in het vertrouwenwekkende “Du”! “Jij was mijn eerste apostel, die mijn tot dan toe ongehoorde woord met de grootste kracht en waardigheid in hoogst ingenieuze kunst verkondigde. In de eeuwigheid zal het je tot eer strekken dat je je grote, hoge genie hebt laten stralen voor mij, die onbegrepen en verlaten was! [Ik kus u duizendmaal als de bron van al het goede voor mij! En dank U, dank U tot in alle eeuwigheid!”
Als we vandaag de 7e Symfonie horen in een arrangement voor orgel van Erwin Horn, opgenomen op het Schuke-orgel van het New Gewandhaus uit 1981 met zijn 91 registers, 4 manualen en pedaal met 6.. 845 pijpen op deze CD, sluit de cirkel zich: we kunnen ons voorstellen hoe Arthur Nikisch het werk vele maanden voor de première voor het eerst in een pianoversie in zijn flat in Leipzig tegenkwam en na het doorspelen spontaan besloot om deze symfonie “op de meest zorgvuldig voorbereide manier” uit te voeren, omdat hij het als “zijn plicht vanaf nu” beschouwde om voor Bruckner op te komen.
We kunnen ons voorstellen hoe Bruckner door Leipzig wandelde en luisterde naar het Thomaskoor in de Thomaskirche, Johann Sebastian Bach herdacht en tenslotte zijn respect betuigde aan het bescheiden Bach-monument dat Mendelssohn schonk uit de opbrengst van zijn orgelconcerten. Maar bovenal hoe Bruckner ooit improviseerde op de thema’s uit zijn 7e Symfonie op het door Walcker gebouwde Gewandhaus-orgel en hoe zijn werk vandaag de dag en wereldwijd nog steeds de harten van luisteraars weet te veroveren …
Dr. Steffen Lieberwirth
“Klangfarben” venster op Bruckners 7e Symfonie
“Wanneer Hansjörg Albrecht een orgelconcert speelt (of een orgel-cd opneemt), zoekt hij vaak de grenzen op van de compositiesystemen van de orgels waarop hij speelt (d.w.z. het elektronische geheugen waarin een opeenvolging van klankkleurcombinaties kan worden voorgeprogrammeerd en tijdens het spelen één voor één kan worden opgeroepen om snel van kleur, volume en sfeer te kunnen veranderen). CD-producties met 800 tot 1000 vereiste combinaties zijn niet ongewoon…
Wat ligt er dan meer voor de hand dan deze sequenties van geluidskleuren een tweede keer te gebruiken? Maar deze keer als een kleuren- of dramatisch flipboek? In mijn koraalvoorspel van het Te Deum lopen deze kleuren door langzaam voortschrijdende akkoordopeenvolgingen in een zeer stevig tempo, waaruit het “non confundar in aeternum” (“Ik zal niet verloren gaan in de eeuwigheid”) uit Bruckners “Te Deum” naar voren schijnt als uit ramen. Dit is hetzelfde thema dat hij ook herhaalt als tweede thema in het Adagio van zijn 7e Symfonie. Vergelijkbaar met het moment waarop de zon door de ramen van kathedralen schijnt en de kerken in magisch licht baadt, flitst een overvloed aan kleuren op, die in elkaar overvloeien en uit elkaar tevoorschijn komen. Deze ramen worden herhaaldelijk onderbroken door een archaïsch of zelfs eratisch aandoende lijn in verschillende tutti-tinten. Kleine mozaïeksteentjes van het gregoriaanse Te Deum worden erin gesuperponeerd en gereflecteerd en zijn verspreid over de hele omtrek van het orgel: krachtig en tegelijkertijd delicaat als spitsbogen, steunberen en gewelfribben, die de felgekleurde ramen omringen, als de ruimtelijke structuur van een grote kathedraal.”
Philipp Maintz
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Sponsoren 2024
Tobias Horn
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Programma
César Franck (1822-1890)
Fantaisie en La majeur (1878, uit: Trois Pièces)
Camille Saint-Saens (1835-1921)
Deuxième Fantaisie Des-Dur op. 101 (1895)
Franz Liszt (1811-1886)
Fantasie und Fuge über den Choral „Ad nos, ad salutarem undam“ (1850/1855)
Organist
De organist Tobias Horn (geboren in 1970) won diverse gerenommeerde internationale concoursen en behoort daarmee tot de toonaangevende Duitse organisten van zijn generatie. Prijzen als 2000 “L’Europe et l’Orgue” in Maastricht / Luik / Aken, 1e prijs voor interpretatie en speciale prijs voor de beste Bach-interpretatie (jury: Hakim, Trotter, Ghielmi, Szathmary, Fonteyn, Wolfs, Haselböck) en 2000 “Concours international Suisse de l’Orgue”, 2e prijs (een 1e werd niet toegekend) (jury: Laukvik, Bovet, Ablitzer, Heiniger) leidden tot een intensieve concertcarrière. Horn trad regelmatig op tijdens internationaal bekende orgelfestivals (Neurenberg, Maastricht, Genua, Bergen, Festival Suisse de l’Orgue etc.) en speelde in concert op de grote Europese orgels, bijv. Laurenskerk Rotterdam, St. Jan s’Hertogenbosch, kathedralen in Straatsburg, Wenen, Aken, Antwerpen, Haarlem, St. Gallen en Bergen. Zijn debuut in de VS vond plaats in 2011.
Tobias Horn kreeg zijn opleiding van de allergrootsten uit de orgelwereld; tot zijn leraren behoren Ludger Lohmann (orgel) en Jon Laukvik (klavecimbel). Hij specialiseerde zich in Franse barokke en romantische orgelmuziek en studeerde intensief bij persoonlijkheden als Jean Boyer (Lyon/Lille) en Ben van Oosten (Den Haag/Rotterdam), wat leidde tot uitgebreide kennis op het gebied van romantische symfonische orgelliteratuur.
Zijn repertoire behoort tot de breedste repertoires en bevat alle grote stukken uit de orgelliteratuur. Naast de complete werken van Bach voert hij regelmatig alle grote werken uit van Reger, Liszt, de complete werken van Vierne en Widor en alle grote werken van Dupré. Daarnaast behoren alle belangrijke werken uit de oude muziek en hedendaagse composities, met verschillende premières, tot zijn repertoire.
Zijn CD-opnames met romantische orgelmuziek (bijv. Reger en Vierne) zijn uitgebracht bij de gerenommeerde labels Motette-Ursina en Ambiente en werden geprezen door recensenten (bijv. “Organists’ Review”/Roger Fisher). Radio-opnames bij grote Europese zenders (SWR, WDR en ORF) getuigen van zijn artistieke werk.
De muzikale activiteiten en ervaringen van Tobias Horn bestrijken een breed terrein: naast zijn werk als concertorganist is hij liedbegeleider en dirigent en heeft hij bijna alle grote oratoria zoals “Matthäus” en “St. John’s Passion”, “Christmas Oratorio” en vele cantates van Bach; “Great Mass in c-minor” en “Requiem” van Mozart; “The Creation” van Haydn; “Requiem” van Brahms, Verdi, Fauré, Duruflé; “Les Béatitudes” van Franck, “Te Deum” van Dvorak en Bruckner en vele orkestwerken van Bach, Mozart, Poulenc en Debussy.
Zijn pedagogische ervaring reikt van pedagoog (2001/2002: vervanger en assistent van Prof. Dr. Ludger Lohmann, orgelklas vanaf 2016 aan de Musikhochschule/State Conservatory Stuttgart) tot kerkmuzikaal basiswerk met amateurs en masterclasses en lezingen aan het National Tchaikovsky Conservatory Moscow (Rusland) en de State Music Academy Krakow (Polen).
Komende concertevenementen zijn onder andere de kathedralen van Aken, Lucca, Tallinn, Danzig/Oliwa, Lapua (FI) en festivals in Duitsland, Nederland, Italië, Slowakije, Estland en Zwitserland.
Toelichting op het programma
De Fantaisie en La behoort tot de Trois Pièces die César Franck op 1 oktober 1878 ten doop hield op het grote Cavaillé-Coll orgel van het Trocadéro in Parijs.
Het werk kent drie thema’s:
het hoofdthema (A) waarmee het begint en dat een inleiding vormt voor het daarvan afgeleide tweede thema (A’) dat wordt begeleid door repeterende akkoorden, waarmee het stuk eigenlijk pas goed begint,
een dalende melodische lijn in syncopen (B), begeleid door gebroken akkoorden in de linkerhand,
een hymne-achtig koraalthema (C) op de Voix Humaine.
Op de voor Franck kenmerkende wijze wisselt hij deze drie thema’s af en weet hij ze op verschillende wijzen te combineren. Als hoogtepunt doet hij dat laatste ook na een groot crescendo met het eerste en het tweede thema in majeur waarna het stuk geleidelijker weer kalmer wordt en, vooruitwijzend naar zijn Deuxième Choral, aan het slot het hymne-thema op de Voix Humaine het stuk op serene wijze besluit in mineur.
Saint-Saëns droeg deze Fantaisie op aan « Sa Majesté la Reine Élisabeth de Roumanie ». Het misschien wel de meest romantische compositie van deze klassiek georiënteerde componist.
Het werk is driedelig. Het opent met een Andantino waarin een vloeiende beweging van zestiende-noten een melodie in de sopraan begeleidt en uiteindelijk uitmondt in afwisselende akkoorden tussen twee klavieren. Het tweede deel (Andante) is een fugato met vier inzetten, een doorwerking en een coda. Het derde en laatste deel is een krachtig Allegro waarvan het thema overeenkomst toont met dat van het middengedeelte. In de begeleiding is de snelle begeleidende beweging van de triolen afgeleid van de zestienden in het eerste gedeelte. Het crescendo voert naar het Grand Choeur waarna de klanksterkte en de beweging langzaam afnemen en voeren naar het Andante aan het slot dat fragmenten uit het slot van het eerste gedeelte overneemt waaronder de afwisselende akkoorden. Bijzonder is de registratie van de staccato noten in het coda: een Bourdon 8’ in de linkerhand begeleid een Fluit 4’ in de rechterhand.
Ton van Eck
Bovenstaande twee programmaonderdelen dienen als (copieus) ‘voorgerecht’ voor de hoofdschotel van vanmiddag, de Fantasie und Fuge über den Choral ‘Ad nos, ad salutarem undam’. Dit was het eerste werk dat Franz Liszt voor orgel schreef en tevens Liszts grootste werk voor dit instrument.
Het koraalthema komt uit de opera ‘Le prophète’ van Giacomo Meyerbeer. Het zijn steeds gedeelten van deze koraalmelodie die op alle mogelijke, en soms bijna onmogelijke manieren de bouwstenen vormen voor dit grootse werk.
De compositie bestaat in feite uit drie delen. Het eerste deel, in c kleine terts, bestaat uit een langzame inleiding gevolgd door een snel Allegro. Het tweede deel, in Fis groot, is een Adagio. Het is pas aan het begin van dit Adagio dat het koraalthema volledig wordt gespeeld, geheel eenstemmig nog wel. Het derde deel is een virtuoze fuga en staat weer geschreven in c klein. Met name in dit deel is de pianist Franz Liszt duidelijk te ontwaren.
De eerste uitvoering van dit werk was in 1855 door Alexander Winterberger in de Dom van Merseburg. Liszt was bij deze uitvoering aanwezig. Het werk verscheen in hetzelfde jaar in druk. De componist was overigens ook aanwezig bij de uitvoering in september 1878 door de Franse componist en organist Camille Saint-Saëns op het grote Cavaillé-Coll orgel in de Trocadéro in Parijs.
Er boven stond aangegeven “Für Orgel oder Pedalflügel”. Een Pedalflügel is een vleugel met daaronder een orgelpedaalklavier gemonteerd. Een instrument dat bij een aantal componisten in die tijd nogal geliefd was. Alhoewel het stuk in eerste instantie wat fragmentarisch kan overkomen, is de grote lijn, zijn de de koraalmelodie van Meyerbeer, nadrukkelijk aanwezig.
Het zijn met name de vele mogelijkheden in klankkleur die het Willibrordusorgel bezit, die het beluisteren van dit virtuoze, bepaald niet eenvoudige werk, tot een boeiende aangelegenheid maakt.
Dirk Out
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 10-15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Sponsoren 2024
Ton van Eck – kamerkoor Mnemosyne o.l.v. Wolfgang Lange
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Programma
Concert in samenwerking met de Frank Martin Stichting. Voor dit concert zijn toegangskaarten noodzakelijk.
Orgel
Frank Martin (1890-1974)
Passacaille pour orgue
Frank Martin
Agnus Dei pour orgue
Koor
Frank Martin
Messe à deux chœurs Kyrie – Gloria – Credo – Sanctus-Benedictus – Agnus Dei
Het koor Mnemosyne staat onder leiding van Wolfgang Lange.
Toelichting op het programma
Volgt
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: de toegangsprijs € 15,– per persoon (exclusief service- en boekingskosten.). Bestel een kaart voor dit concert.
Het Bavokoor, o.l.v. Rick Muselaers Solisten: Janneke Stoute, sopraan, Gregor Ziekman, bas
Toelichting op het programma
Jehan Alain – Trois Danses
Samen met de Suite vormen de Trois Danses het hoogtepunt van Jehan Alains œuvre. De eerste twee dansen schreef hij rond 1938. Tijdens de mobilisatie was hij begonnen aan de orkestratie van het werk, maar na zijn vroegtijdige dood zijn de manuscripten daarvan verloren gegaan. De versie voor orgel is gered omdat hij het manuscript daarvan ruim een maand voor zijn dood en slechts enkele weken voor de Duitse aanval op Frankrijk, naar de organiste Noëlie Pierront heeft gestuurd.
De eerste dans, Joies (vreugde) vangt aan met een inleiding van enkele signalen op de Cromorne en Hautbois. Daarna zet de dans zich in beweging in een zeer karakteristiek ritme, waaraan elementen uit de jazz niet ontbreken. In de loop van het stuk wordt dit ritme steeds licht gewijzigd. Een crescendo aan het slot voert naar een climax, waarna het stuk met een weemoedige solo op de Hobo eindigt om vervolgens zonder onderbreking over te gaan in de tweede dans: Deuils (rouw). Het thema hiervan klinkt gedragen in het pedaal en vervolgens in parallelle akkoorden in steeds wisselende registraties. Vervolgens wordt echter het thema in snel tempo ten gehore gebracht, eerst in het pedaal, maar vervolgens afwisselend op diverse klavieren. Dit voert naar een ware apotheose waarna het stuk rustig, met een dromerige, unisono fluitsolo eindigt. De tweede dans draagt als ondertitel: pour honorer une mémoire héroïque (Eerbetoon aan een heroïsche gedachtenis) en kan volgens de componist ook afzonderlijk ten gehore worden gebracht.
De derde dans, Luttes (strijd), is de kortste van de drie. De componist schreef deze tijdens de mobilisatie. Hij vangt op dreigende wijze aan met motieven van het thema van de eerste dans, waarvan hij het ritme overneemt. Dit krijgt een steeds meer obsederend karakter, maar wordt tot tweemaal onderbroken door motieven uit de tweede dans. Het is uiteindelijk het ritmische en melodische motief uit de tweede dans dat op dramatische wijze en een overweldigend crescendo de overhand krijgt, steeds zwaarder en vermoeider, waarna een kort coda het werk met twee felle akkoorden besluit.
Gabriel Fauré, Requiem op. 48
Gabriel Fauré, die dit jaar een eeuw geleden overleed, was nog maar 40 jaar en wilde een heel ander requiem schrijven dan gebruikelijk was zoals bij de bombastische en dramatische requiems van Herctor Berlioz en Giuseppe Verdi die hij verafschuwde. Ook de treurige gregoriaanse muziek van de requiemmis kende hij als organist door en door. Maar Fauré had bovenal een heel andere visie op de dood dan in deze requiems te horen was. “Een gelukkige bevrijding, een streven naar geluk hierboven in plaats van een pijnlijke ervaring, ” zo beschouwde Fauré het sterven. En dat uitte hij in de hoopvolle en ingetogen klanken van zijn Requiem: “Mijn Requiem is zachtmoedig van temperament, zoals ikzelf,” zei hij erover. “Het drukt niet de angst voor de dood uit. Iemand noemde het zelfs een wiegelied van de dood.” Er is gespeculeerd dat de aanleiding voor Fauré om het Requiem te componeren te maken had met de dood van zijn vader in 1885 en van zijn moeder in 1887. Hoewel Fauré in de dagen na het overlijden van zijn moeder zowel het Agnus Dei als het Sanctus en het In Paradisum voltooide, heeft hij zelf nooit een verband gelegd tussen deze verdrietige gebeurtenissen en zijn Requiem. “Ik heb het nergens voor gecomponeerd,” zo zei hij, “gewoon voor het plezier!”
Fauré’s Requiem en kerkmuziek
Hoewel Fauré zichzelf niet als een gelovige beschouwde, vormde kerkmuziek toch een groot onderdeel van zijn leven. Als organist in verschillende kerken in en rond Parijs voorzag hij de kerkdiensten bijna zijn hele leven lang van muziek. Daarnaast studeerde hij als jongen elf jaar lang aan de École Niedermeyer, waar hij, bij zijn opleiding tot koormeester, werd onderwezen in allerlei aspecten van kerkmuziek.
Fauré’s kijk op religieuze muziek werd sterk beïnvloed door de oprichter van de school, Louis Niedermeyer (1802-1861). Hij had de muziek van de Italiaanse Renaissance-componist Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525-1594) herontdekt en prefereerde de oorspronkelijke Gregoriaanse zettingen van de katholieke mis. De ingetogenheid van deze oude, kerkelijke muziek zijn ook te beluisteren in het Requiemvan Fauré.
Het lange componeerproces van het Requiem
In 1877 schreef Fauré het Libera me als een op zichzelf staand motet. Toen hij tien jaar later de eerste versie van zijn Requiem componeerde – die hij ‘Un petit requiem‘ noemde – nam hij daar het Libera me niet in op. Het bevatte een Introitus et Kyrie, Sanctus, Pie Jesu, Agnus Dei en In Paradisum. Het was een kleine bezetting voor (klein) koor, harp, orgel, strijkers en pauken. Hij dirigeerde deze versie in 1888 op de begrafenis van architect Joseph Lesoufaché. Weer tien jaar later voegde hij het Libera me wel toe aan zijn Requiem en componeerde hij het Offertorium .
Fauré heeft bewust geen Dies Irae in zijn Requiem opgenomen – een donderend deel over de Dag des Oordeels paste niet in zijn visie op de dood. Ook zette hij het In Paradisum bewust aan het slot van zijn Requiem, als verklanking van de hoop op het eeuwige leven na de dood.
Eind negentiende eeuw werd er een versie gepubliceerd voor koor en symfonieorkest, omdat dit het Requiem geschikter zou maken voor uitvoeringen in de concertzaal. Van deze versie is alleen niet zeker of deze door Fauré of van een van zijn leerlingen is geschreven. De versie voor klein koor en orgel die vandaag wordt uitgevoerd is vervaardigd door de Engelse componist en dirigent John Rutter op basis van het oorspronkelijke manuscript.
Gegevens concert
Locatie: Kathedrale Basiliek St.-Bavo, Haarlem, Leidsevaart 146, 2014 HE Haarlem. Ingang aan het Bisschop Bottemanneplein Toegang: gratis, vrijwillige bijdrage. Kosten € 15,– per persoon. Donaties: zie donateurspagina
Sponsoren 2024
Kerstmis met Choir of St. John’s College Cambridge
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Uitvoerenden
Choir of St. John’s Colle Cambridge Director of Music: Christopher Gray Orgel: Alex Robson en Tingshuo Yang
Toelichting op het programma
Deze kerstperiode is het wereldberoemde St. John’s College Choir uit Cambridge, één van Engelands meest vermaarde koren, in Nederland voor een tournee. Engeland is het land van de tradities. De twee overgebleven jongenskoren in Cambridge, die van het St. John’s College en die van het King’s College worden gezien als de beste jongenskoren ter wereld. Het koor bestaat vanaf 1670 en zingt voor de hoge stemmen nog altijd met jongens.
Deze jongens (8-12 jaar) moeten naast een uitmuntende stem ook beschikken over voldoende schoolvaardigheden om naast het vele zingen ook hun opleiding te kunnen voltooien. Daarbij spelen ze gemiddeld twee instrumenten. Sinds kort zijn ook enkele meisjes actief in het koor. De mannen van het koor, in de leeftijd van 18-22, studeren allen aan de universiteit van Cambridge en moeten naast hun studie veel uren investeren in het zelf bestuderen en vervolgens uitvoeren van de muziek. Naast hun dagelijkse verplichtingen in de College Chapel, zingt het koor jaarlijks concerten over de hele wereld. Het koor heeft ook veel cd’s opgenomen.
Op het programma staat dit jaar uiteraard een mooi aanbod aan prachtige kerstmuziek.
Emailadres: stjohns@koorschoolhaarlem.nl Dit concert wordt georganiseerd door Koorschool St.-Bavo Muziekinstituut te Haarlem.
Gegevens concert
Toegang: xanaf eind november/begin december: kaartverkoop: www.bavoconcert.nl en VVV Grote Markt Haarlem (onder het stadhuis)
zaterdag 18 april 2026, 19:09 zaterdag 18 april 2026, 19:09
Kerstconcert Kathedrale Koor
Aanvang:
2024-08-31 16:00:00 u.
Einde:
2024-08-31 17:30:00 u.
Uitvoerenden
Kathedrale Koor
Toelichting op het programma
Op 16 december om 20:00 uur vindt het jaarlijkse kerstconcert van het Kathedrale Koor plaats in de Kathedraal St.-Bavo. Dit kerstconcert brengt getalenteerde musici samen in een sfeervolle omgeving en neemt je mee in de rijke tradities van kerstmuziek. Laat je meevoeren door de prachtige klanken van kerstklassiekers, uitgevoerd door het Kathedrale Koor en haar solisten. Dompel jezelf onder in de magie van Kerstmis met een onvergetelijke avond vol prachtige muziek. We kijken ernaar uit om je te verwelkomen in onze prachtige Kathedraal.
Gegevens concert
Toegang: informatie over kaartverkoop volgt
zaterdag 18 april 2026, 19:09 zaterdag 18 april 2026, 19:09